cross

1AHA - C2 - L4

Welcome back!

1AHA

1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Welcome back!

1AHA

Slide 1 - Tekstslide

Questions about the homework

Slide 2 - Tekstslide

Goals
After this lesson, you can:

make questions and negations in the present simple.

Slide 3 - Tekstslide

Planning
Today we will:

Practice vocabulary,

Practise grammar and

make exercises 29-34 together.

Slide 4 - Tekstslide

"Can I add you on Snapchat?" What does "add" mean?
A
Verwijderen
B
Kletsen
C
Toevoegen
D
Blokkeren

Slide 5 - Quizvraag

Hoe zeg je "middag" in het Engels?

Slide 6 - Open vraag

"My city is not accessible by train." What does "accessible" mean?
A
Noodzakelijk
B
Rooster
C
Vervangen
D
Bereikbaar

Slide 7 - Quizvraag

"Horror films are really scary." Vertaal "scary" naar het Nederlands.

Slide 8 - Open vraag

"She has had enough. She is going to quit her job tomorrow." What does "to quit" mean?
A
Stoppen
B
Solliciteren
C
Aanvragen
D
Opgeven

Slide 9 - Quizvraag

Questions
There are 4 ways when making a question in the present simple

Slide 10 - Tekstslide

1
Werkwoorden zoals: "to be", "can", "may" & "will" komen aan het begin van de zin.

Can, may & will => auxiliary verbs.

Are you a student? 
Can you tell me what your name is?  
May I sit here, please?
Will you come with me to the store?

Slide 11 - Tekstslide

2
Er komt een extra werkwoord (verb) bij, namelijk: Do / Does

Do / does => komt aan het begin van de zin.

Het hoofdwerkwoord (the main verb) veranderd naar het hele werkwoord (infinitive)

He reads a lot of books. --> Does he read a lot of books?


Slide 12 - Tekstslide

3
Bij het maken van een vraag met "to have", voeg je ook "Do / does" toe.

She has long hair. --> Does she have long hair?

We have to go. --> Do we have to go?

Slide 13 - Tekstslide

4
Soms is het gezegde van een zin: "have got" (hebben)

Have => gaat naar het begin van de zin.
Got => blijft op dezelfde plek.

You have got a nice car. --> Have you got a nice car?

Slide 14 - Tekstslide

Negations
Negations = ontkenningen.

There are 2 ways to make a sentence: negative. 
(in the present simple)



Slide 15 - Tekstslide

1
Wanneer er in een zin werkwoorden zoals: "to be", "can", "may" & "will" staan, voeg je "Not" of de afkorting (contraction) "n't" toe.

She is sick today. --> She is not sick today / She isn't sick today.
I can play football. --> I can not play football / I can't play football.
He will sleep soon. --> He will not sleep soon / He won't sleep soon.

Slide 16 - Tekstslide

2
Wanneer er in zin geen werkwoorden zoals: "to be" of auxiliary verbs staan => voeg je do not / does not toe. Of de contractions (afkortingen): don't / doesn't. Dit plaatsen we na the subject (het onderwerp).

"I like English." --> I do not like English / I don't like English.
"We know each other." --> We do not know each other / We don't know each other.


Slide 17 - Tekstslide

Open your books!
Let's make exercises 29-34.
Pages 100-103.

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Goals
After this lesson, you can:

make questions and negations in the present simple.

Slide 20 - Tekstslide

Homework
Chapter 2 - Time for school
Make: Exercises 29-34
Study: A - Watching & C - Reading blz 122&123

Slide 21 - Tekstslide