H4 De rechtsstaat en het strafrecht BB

Criminaliteit
Hoofdstuk 4

Nederland is een rechtsstaat
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijkundeMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 4

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Criminaliteit
Hoofdstuk 4

Nederland is een rechtsstaat

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
Aan het eind van deze les kun je:
- De vier kenmerken van de rechtsstaat benoemen en uitleggen.
- Uitleggen wat rechtszekerheid en rechtsgelijkheid betekent.
- Uitleggen wat rechtshandhaving en rechtsbescherming betekenen.


Slide 2 - Tekstslide

Een rechtsstaat
Een land waar de rechten en plichten van de burgers en de overheid zijn vastgelegd in de wet.

Slide 3 - Tekstslide

Kenmerken rechtsstaat
1. Burgers hebben grondrechten die zijn vastgelegd in de Grondwet.
2. De overheid moet zich aan de wet houden. In een rechtsstaat moet elke burger weten wat er met hem gebeurt als hij een delict pleegt. Dit noemen we rechtszekerheid
3. Ook moet een burger erop kunnen rekenen dat hij niet anders behandeld of gestraft zal worden dan een ander. Dit noemen we rechtsgelijkheid.
4. Er is sprake van een machtenscheiding; de rechter is onpartijdig en onafhankelijk van de uitvoerende en wetgevende macht.

Slide 4 - Tekstslide

Grondrechten
  • Vrijheid van meningsuiting / persvrijheid
  • Vrijheid van godsdienst
  • Vrijheid van betoging (demonstreren)
  • Vrijheid van vereniging
  • Vrijheid van privacy
  • Artikel 1: Recht op gelijke behandeling

Slide 5 - Tekstslide

Machtenscheiding: de Trias Politica
1. Wetgevende macht
2. Uitvoerende macht
3. Rechterlijke macht
Niemand kan een rechter dwingen een verdachte schuldig te verklaren.
Hij is onafhankelijk en onpartijdig.
De regering (ministers + koning) en het gekozen parlement (eerste en tweede kamer).
ministers, OM, burgemeesters,

Slide 6 - Tekstslide

De wetgevende macht
De wetgevende macht stelt de wetten vast waaraan de burgers en de overheid zich moeten houden. De regering (ministers) en het parlement (Eerste en Tweede Kamer) hebben de wetgevende macht.
Op lokaal niveau heeft de gemeenteraad de wetgevende macht.

Slide 7 - Tekstslide

De uitvoerende macht
De uitvoerende macht zorgt ervoor dat wetten worden uitgevoerd en nageleefd. De ministers zijn hiervoor verantwoordelijk. Het Openbaar Ministerie en de politie werken samen met de minister van Veiligheid en Justitie om strafbare feiten op te sporen en te vervolgen.
vervolgen
een verdachte voor de rechter brengen.

Slide 8 - Tekstslide

De rechterlijke macht
De rechterlijke macht beoordeelt of wetten goed worden nageleefd en doet uitspraak in conflicten. Deze macht is in handen van onafhankelijke en onpartijdige rechters. Hierdoor kunnen burgers vertrouwen op een eerlijk rechtsproces. 
Rechters hoeven zich niet te verantwoorden aan ministers of andere politici.

Slide 9 - Tekstslide

Rechtsbescherming - Rechtshandhaving
In de Nederlandse rechtsstaat heeft de overheid een aantal taken. Twee van die taken zijn rechtsbescherming en rechtshandhaving.
Rechtsbescherming houdt in dat de rechten van de burgers worden beschermd tegen machtsmisbruik van de overheid. Zo mag een de politie niet zomaar telefoongesprekken afluisteren. Burgers hebben namelijk recht op privacy.
Rechtshandhaving: het handhaven van de rechtsorde. Dit betekent dat de overheid wetsovertreders oppakt en bestraft.

Slide 10 - Tekstslide

Herhaling begrippen
Rechtsstaat
Een land waar de rechten en plichten van burgers en van de overheid in de wet zijn vastgelegd.
Rechtshandhaving
Het oppakken van criminelen (door OM en politie)
Rechtsbescherming
De overheid moet de rechten van burgers beschermen.

Rechtszekerheid
Elke burger weet wat hem te wachten staat als hij een delict pleegt.
Rechtsgelijkheid
Elke burger wordt gelijk behandeld of gestraft als een andere burger.

Slide 11 - Tekstslide

Wat is geen kenmerk van een rechtsstaat?
A
Alle rechten en plicht van de burgers zijn vastgelegd.
B
Alle wetten staan in de grondwet.
C
De regering mag een uitzondering maken uit de grondwet.
D
Trias Politica.

Slide 12 - Quizvraag

Rechtsbescherming of rechtshandhaving?
De politie mag je niet zomaar oppakken
A
rechtsbescherming
B
rechtshandhaving

Slide 13 - Quizvraag

Je krijgt een boete voor fietsen met je telefoon in de hand
A
Rechtsbescherming
B
Grondrechten
C
Rechtshandhaving

Slide 14 - Quizvraag

De politie controleert of iedereen zich aan de 1,5 meter richtlijn houdt.
Dit heeft te maken met
A
rechtsbescherming
B
rechtshandhaving

Slide 15 - Quizvraag

Dat je weet wat je te wachten staat als je een delict pleegt noem je
A
rechtszekerheid
B
rechtsgelijkheid
C
rechtshandhaving

Slide 16 - Quizvraag

Dat je weet dat je buurman ook 390,- euro boete krijgt als hij zich niet aan de 1,5 meter afspraak houdt heeft te maken met
A
rechtszekerheid
B
rechtsgelijkheid
C
rechtshandhaving

Slide 17 - Quizvraag

Dit is de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht.
A
Grondwet
B
Trias Politica
C
Parlement
D
Kabinet

Slide 18 - Quizvraag

Tot welke macht behoren politieagenten?
A
Wetgevende macht
B
Uitvoerende macht
C
Rechterlijke macht

Slide 19 - Quizvraag

Hoort bij de rechterlijke macht
A
Officier van justitie
B
Ministerie van Veiligheid en Justitie
C
Advocaat-generaal
D
Onafhankelijke rechters

Slide 20 - Quizvraag

In Nederland is sprake van een machtenscheiding. Bij welke macht hoort het Openbaar Ministerie?
A
rechterlijke macht
B
uitvoerende macht
C
wetgevende macht

Slide 21 - Quizvraag

Tot welke macht behoord de Tweede Kamer?
A
Wetgevende macht
B
Uitvoerende macht
C
Rechtelijke macht
D
wetsprekende macht

Slide 22 - Quizvraag

Uitvoerende Macht
Wetgevende macht
Rechtsprekende macht

Slide 23 - Sleepvraag

Aan de slag!
H4 Maak vraag 7, 8, 9

Slide 24 - Tekstslide

frietgooiers
W. van A. uit Gouda, laten we hem Willem noemen, zit op 18 september 1999 in de bus naar station Breda. Naast hem, aan de andere kant van het gangpad, zitten twee jongens met een bakje friet. Een van hen gooit zijn friet naar buiten via het dakluik. Willem zegt er wat van: "Vinden jullie dit normaal?" Dat had hij beter niet kunnen doen. De frietgooiers slaan dreigende taal uit. Ze zullen hem straks op het station wel even een pak slaag geven, roepen ze een paar keer. Ze gooien ook friet naar Willem. Dan staat een van de twee op. Hij loopt op Willem af. Ze staan borst tegen borst. Willem voelt zich bedreigd, haalt uit en geeft zijn belager een knal op zijn neus. En dan is Willem opeens verdachte in een strafzaak. Verdacht van mishandeling.

Slide 25 - Tekstslide

Uitgangspunten van het strafrecht
  • Bij strafbaar gedrag moet het gaan om menselijk gedrag.
  • Je kunt alleen gestraft worden voor iets wat volgens de wet strafbaar is.
  • De wet bepaalt welke straf maximaal gegeven mag worden.
  • Misdrijven en overtredingen kunnen verjaren.                (zie volgende slide voor voorbeelden)
  • Iedereen is onschuldig totdat zijn schuld door de rechter is bewezen. Bij gebrek aan bewijs volgt vrijspraak.
  • Er wordt rekening gehouden met de achtergronden en persoonlijke eigenschappen van de dader. Soms krijgen mensen geen straf omdat ze ontoerekeningsvatbaar zijn. Dit betekent dat iemand niet weet wat hij doet. De dader krijgt dan wel een maatregel: tbs.
  • Er wordt rekening gehouden met de situatie waarin het delict plaatsvond. Als er sprake is van overmacht            of          noodweer             is het gedrag niet strafbaar.
  • Voor jongeren geldt het jeugdstrafrecht.
overmacht: nood breekt wet. Je bent verplicht je aan de wet te houden, maar soms is er een hogere plicht waar de wet voor aan de kant moet. 
noodweer: zelfverdediging
verjaren betekent dat iemand na een bepaalde periode niet meer vervolgd kan worden in een strafzaak. 

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Link

Aan de slag!
Maak vraag 5 tot en met 9 en vul de begrippen in van H4.
Als je klaar bent, ga je nakijken!

Slide 28 - Tekstslide