Zinnen maken

Zinnen maken
Schrijfvaardigheid
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Zinnen maken
Schrijfvaardigheid

Slide 1 - Tekstslide

Bijles mh2b: Lunes
  1. Ella
  2. Ömer
  3. Bodil
  4. Seher
  5. Selina
  6. Adrion
  7. Indy
  8. Nisa
  9. Wasim

Slide 2 - Tekstslide

Bijles mh2c, tmh2
  • Tristan
  • Vince
  • Nando
  • Darryn
  • Amar
  • Pepijn
  • Lana
  • Elise
  • Marvin 
  • Tim
  • Meraj
  • Roos
  • Oguzhan
  • Levi
  • Kenan
  • Jamie
  • Kian

Slide 3 - Tekstslide

Hoe maak je een goede zin?
Persoon/ding + Actie + hoe, waar, wanneer, wat, etc.
Yo + como + una banana
Rosa + habla + rapidamente
El bus + es + bonito

Slide 4 - Tekstslide

Zinnen maken
Persoon/ ding         +
 vervoegd werkwoord +
wat (zelfstandig naamwoord + bijvoeglijk naamwoord)

Met wie (persoon)

Waar (plek)

Hoe (bijwoord)
Wanneer
Yo como pasta deliciosa con mi familia en un restaurante en el verano.

Slide 5 - Tekstslide

Plaats de woorden in de juiste
volgorde:
actor - famoso - es - el

Slide 6 - Open vraag

Plaats de woorden in de juiste
volgorde:
juega - Maradona - futbol - al
timer
2:00

Slide 7 - Open vraag

Plaats de woorden in de juiste
volgorde:
madre - come - mi - pasta - la -
rápidamente

Slide 8 - Open vraag

Maak een zin met 8 tot 10 woorden:
amiga - inteligente - come - chica - la - vive - habla - pizza - frances - bien - normalmente - es - mucha

Slide 9 - Open vraag

Wat doe je vandaag?
Maak een zin met 8 tot 10 woorden

Slide 10 - Open vraag

Regelmatige werkwoorden
Hablar
Leer
Vivir
Yo
habl
le
viv
habl
le
viv
Él/ ella
habl
le
viv
Nosotro(a)s
habl
le
viv
Vosotro(a)s
habl
le
viv
Ello(a)s
habl
le
viv
Vul de tabel in met de juiste uitgangen.
timer
3:00

Slide 11 - Tekstslide

Vertaal de volgende zinnen
1. Ik eet (comer) chocolade.
2. María drinks (beber) Fanta.
3. Wij lezen (leer) Harry Potter.
4. Anna en Anton wonen (vivir) in Apeldoorn.
5. Ik spreek (hablar) Spaans.
6. Ik schrijf (escribir) in het Spaans.
1. Yo como chocolate.
2. María bebe Fanta
3. Nosotros leemos Harry Potter
4. Anna y Anton viven en Apeldoorn
5. Yo hablo español
6. Yo escribo en español
timer
3:00

Slide 12 - Tekstslide


Hoe is het gegaan?
😒🙁😐🙂😃

Slide 13 - Poll