Ej. 2a: ¿ Te gusta organizar fiestas? / ¿Cuándo lo haces? / ¿Dónde?/ ¿Qué hacéis en la fiesta ( bailar, comer y beber....)¿ Cuándo organizaste una fiesta por última vez?
WB:
p.55, ej.1, ej.2
Slide 5 - Tekstslide
Invitar
El sábado celebro mi santo, ¿te apetece venir?
El sábado doy una fiesta, estás invitado/a.
Te escribo para invitarte a mi fiesta de cumpleaños.
Aceptar
Vale, perfecto.
¡Claro! ¡Por supuesto!
Gracias por la invitación. Voy con mucho gusto.
¡Vale! ¡Perfecto! ¿Llevo algo para comer o beber?
Rechazar
Me encantaría ir a tu fiesta pero...
Lo siento, no puedo, es que ...
Slide 6 - Tekstslide
TB: p.54, ej.2c
Algunas amigas llaman a Adriana
28
29
30
Slide 7 - Tekstslide
ir / venir - llevar / traer
presente
Voy, vas, va, vamos, vais, van
Vengo, vienes, viene, venimos, venís, vienen
Traigo, traes, trae, traemos, traéis, traen
llevo, llevas lleva, llevamos, lleváis, llevan
Slide 8 - Tekstslide
Slide 9 - Tekstslide
TB p.54, ej. 2: Te invito a mi fiesta
Lees de zinnen van ej. 2c en kijk hoe venir/ir/llevar en traer wordt gebruikt
De werkwoorden iren venir kunnen allebei komen of gaan betekenen:
Luisa: Juan ¿Vienes a mi fiesta? (kom je op mijn feest?)
Juan: Si, si voy a tu fiesta (Ja, ik kom op je feest)
De werkwoorden llevar entraer kunnen allebei meebrengen/meenemen
of halen betekenen:
Luisa: Juan ¿puedes traer algo de beber?
Juan: Si, claro Luisa, yo llevo sangría
Het hangt van het perspectief van de spreker af welk werkwoord gebruikt wordt.<div>Ezelbruggetje:</div><div>Ir en llevar = van hier naar daar</div><div>venir en traer = van daar naar hier</div>
Slide 10 - Tekstslide
Venir = komen : van daar naar hier
Ana: ¿ Vienes?
ir= komen : van hier naar daar
María: Sí, voy
traer = meenemen: van daar naar
hier
Ana: ¿ Traes cedés?
llevar = van hier naar daar
María : Sí, llevo los cedés de Maluma
Slide 11 - Tekstslide
Werkwoorden van beweging: Ir en venir (komen/gaan), llevar en traer (meebrengen/meenemen) pag. 124 7.2
Venir = komen : van daar naar hier
María , ¿Vienes a mi fiesta? = Kom je op mijn feestje?
ir= komen : van hier naar daar
Si, voy con mucho gusto. = ja, ik kom graag
traer = meenemen: van daar naar hier
¿Y puedes traer postre? = En kun je een toetje meenemen?
llevar = van hier naar daar
Sí, claro, llevo una tarta. = Ja, natuurlijk, ik neem een taart mee
Aceptar: <div>Vale, perfecto </div><div>¡Claro! Por supuesto</div><div><br></div><div>Rechazar:</div><div>Me encantaría, pero....</div><div>Lo siento, pero es que.....</div>
tú vorm= 3de pers. enkv.<div>usted(es) vorm= uitgangwissel</div><div>vosotros= -R- + -D-</div>
uitleg vorming op volgende slide
Slide 19 - Tekstslide
uitleg vorming imperativo:
de tú vorm van de gebiedende wijs is hetzelfde als de 3de pers. enkelvoud:
¡Toma! ¡Come!¡ Escribe! : Neem! Eet! Schrijf!
de usted vorm heeft een uitgangwissel d.w.z. ww op -ar krijgen de uitgang vd 3de pers.enkv. van ww op -er en ww op -er /-ir krijgen de uitgang vd 3de pers. enkv. van ww op -ar