BS 3 oog

Hoe noem je het groter en kleiner worden van de pupil?
(tip: dit gaat vanzelf)
A
Oogreflex
B
Pupilreflex
C
Accomoderen
D
Accomodatiereflex
1 / 20
volgende
Slide 1: Quizvraag
BiologieMiddelbare schoolvmbo lwoo, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 10 min

Onderdelen in deze les

Hoe noem je het groter en kleiner worden van de pupil?
(tip: dit gaat vanzelf)
A
Oogreflex
B
Pupilreflex
C
Accomoderen
D
Accomodatiereflex

Slide 1 - Quizvraag

Dit onderdeel beschermt alles dat binnenin het oog ligt.
In dit onderdeel liggen spieren die de pupil groter en kleiner kunnen maken.
Via dit onderdeel gaan berichten uit de gezichtszintuigen naar de hersenen.
Deze onderdelen helpen mee om het oog allerlei kanten op te laten draaien
Harde oogvlies
iris
oogzenuw
oogspier

Slide 2 - Sleepvraag

Wat is de adequate prikkel voor je oog?
A
Geluid
B
Omgeving zien
C
Licht
D
Waarnemen

Slide 3 - Quizvraag

Welk onderdeel van het oog beschermt je oog niet?
A
Wenkbrauw
B
Ooglid
C
Wimper
D
Netvlies

Slide 4 - Quizvraag

Welke delen van het oog kunnen het oog draaien?
A
de oogleden
B
de oogzenuw
C
de oogspieren
D
de lens

Slide 5 - Quizvraag

De lens in je oog zorgt voor
A
een kleurig beeld
B
een scherp beeld
C
het beschermen tegen stofjes
D
het afsluiten van je oog

Slide 6 - Quizvraag

Is het oog een orgaan?
A
Ja, want het oog heeft een bepaalde taak.
B
Ja, want het oog is onderdeel van een torso.
C
Nee, want het oog heeft meerdere taken.
D
Nee, want het oog is geen onderdeel van een torso.

Slide 7 - Quizvraag

Om te zien moet er licht in je oog komen.
Via welke onderdelen van het oog komt het licht in je oog?
Geef het goede antwoord.

A
hoornvlies, pupil, lens, netvlies
B
lens pupil  hoornvlies  netvlies

Slide 8 - Quizvraag

Welk onderdeel van het oog regelt hoeveel licht er in het oog komt?
A
Netvlies
B
Pupil
C
Hoornvlies
D
Lens

Slide 9 - Quizvraag

Wat is de functie van het netvlies in de ogen?
A
hierin liggen de zintuigcellen
B
Hierin lopen de bloedvaten die zuurstof toevoeren
C
Dit beschermt het oog voor stoffen van buiten
D
Hiermee kan je scherpstellen.

Slide 10 - Quizvraag

De gele vlek is de plek waar de oogzenuw weg loopt naar de hersenen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 11 - Quizvraag

De oogspieren zitten vast aan het harde oogvlies.
A
juist
B
niet juist

Slide 12 - Quizvraag

Het oog bestaat uit de volgende lagen:
A
harde oogvlies
B
harde oogvlies/vaatvlies/netvlies
C
harde oogvlies/netvlies
D
harde oogvlies/vaatvlies

Slide 13 - Quizvraag

Hoe noemen we nummer 2?
A
pupil
B
iris
C
harde oogvlies
D
glasachtig lichaam

Slide 14 - Quizvraag

Welk gedeelte van het harde oogvlies is doorzichtig?
A
Hoornvlies
B
Pupil
C
Vaatvlies
D
Netvlies

Slide 15 - Quizvraag

Nummer 2 is
A
de lens
B
de pupil
C
het harde oogvlies
D
het hoornvlies

Slide 16 - Quizvraag

De gele vlek is de plaats waar...
A
De verhouding kegeltjes en staafjes gelijk zijn zodat je een helder beeld hebt
B
de meeste staafjes zitten en waar je dus het best contouren kan zien
C
de meeste kegeltjes zitten en waar je dus het best kleur kan zien
D
de plaats waar geen kegeltjes en geen staafjes zijn, je ziet dan vooral geel

Slide 17 - Quizvraag

Diepte zien
Je ziet diepte doordat je met je rechteroog iets anders ziet dan met je linkeroog. Je hersenen voegen die twee beelden samen tot één beeld.

Slide 18 - Tekstslide

De buitenste laag van je oog heet
A
Vaatvlies
B
Harde oogvlies
C
Netvlies
D
Pupil

Slide 19 - Quizvraag

Hoe noemen we nummer 3?
A
pupil
B
iris
C
harde oogvlies
D
glasachtig lichaam

Slide 20 - Quizvraag