1.5 Krachten overbrengen (II)

Hoofdstuk 1: Krachten
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 1: Krachten

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
  • Terugblik op vorige les
  • vervolg Paragraaf 1.5 (vooral VWO)
  • Zelfstandig aan de slag

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Leerdoelen
De leerlingen kunnen uitleggen hoe katrollen kunnen bijdragen aan het verlichten van de te leveren kracht.
De leerlingen kennen het principe van katrollen.
De leerlingen kunnen de arbeid uitrekenen.
De leerlingen kunnen de regels die gelden bij werktuigen toepassen. 



Slide 6 - Tekstslide

Paragraaf 1.5
Krachten kunnen we dus vergroten en overbrengen met hefbomen, maar we kunnen daar ook katrollen voor gebruiken. Daarbij spelen 2 dingen.  De kracht die je moet leveren en de afstand waarover je die kracht moet leveren. 

Een kist van 100 kg 1 m omhoog tillen is makkelijker dan 9 m omhoog tillen. 

Slide 7 - Tekstslide

Paragraaf 1.5
Die combinatie van kracht en afstand noemen we arbeid. Kracht  (F) meten we in Newton (N), afstand (s) in meters (m) en de arbeid (W) wordt dan gegeven in Newtonmeter (Nm)


Voorbeeld: een kist van 900 N 4 meter omhoog tillen kost dus:
900 N x 4 m = 3600 Nm aan arbeid
W=Fs

Slide 8 - Tekstslide

Paragraaf 1.5
Bij 1 vaste katrol (deze katrol hangt vast aan het plafond) veranderd alleen de richting van de kracht. Dat maakt het soms makkelijker om de kracht te leveren, maar kost niet minder kracht.

Slide 9 - Tekstslide

Paragraaf 1.5
Als je meer katrollen hebt, ga je kijken naar hoe de kracht verdeeld is over de touwen. 

Slide 10 - Tekstslide

met een vast katrol kan je nooit meer tillen dan je eigen gewicht.
A
juist
B
onjuist

Slide 11 - Quizvraag

Peter heeft een grote tuinparasol. Voor het opentrekken zit er een takel in de parasol.
De takel bestaat uit een losse en een vaste katrol.

Je ziet een afbeelding met de katrollen.
Geef van elke katrol aan of het een losse of vaste katrol is.
A
Katrol 1 vast Katrol 2 los
B
Katrol 1 vast Katrol 2 vast
C
Katrol 1 los Katrol 2 vast
D
Katrol 1 los Katrol 2 los

Slide 12 - Quizvraag

Welke zin is niet waar over een vaste katrol?
A
Een vaste katrol zit meestal vast aan een muur of plafond.
B
Een vaste katrol verkleint de kracht om iets op te tillen.
C
Een takel kan meerdere vaste katrollen hebben.

Slide 13 - Quizvraag

De arbeid bij gebruik van een losse katrol neemt
A
Toe
B
Af
C
Blijft gelijk

Slide 14 - Quizvraag

Een man wil een zak veren van 60 kilo tillen door middel van een vast katrol, de man is zelf 58 kilo. Lukt het hem om de zak veren op te tillen met een vast katrol?
A
ja
B
nee

Slide 15 - Quizvraag

Vul de juiste woorden in:
Tijdens het ophijsen van een voorwerp verricht je ............................
Een losse katrol ............................ de benodigde kracht maar ............................ de afstand waarover het voorwerp word verplaatst.
De richting wordt hier ............................ veranderd.
Een vaste katrol ............................ de benodigde kracht en ............................ de afstand waarover het voorwerp wordt verplaatst. De richting wordt hier ............................ veranderd.
Arbeid
Halveert
verdubbelt
wel
Niet
Behoudt
Behoudt

Slide 16 - Sleepvraag

4. Hieronder staan zinnen over katrollen en takels. Markeer de juiste antwoorden.
Goed
Fout
Hijsen met katrollen gaat gemakkelijker dan tillen.
Bij een vaste katrol verandert de richting van de kracht.
Bij een losse katrol heb je evenveel kracht nodig als bij een vaste katrol.
Een takel is een combinatie van twee of meer losse katrollen.
Bij een takel verandert de richting van de kracht en hoef je minder kracht te gebruiken.
Als je kracht spaart, moet je wel meer touw innemen.
Bij twee katrollen heb je twee keer zo weinig touw nodig.

Slide 17 - Sleepvraag

Paragraaf 1.5
 Leg in elk van de volgende situaties welke massa nodig is om alles in evenwicht te houden. Ga er hierbij vanuit dat de grootte van de spankracht in ieder touw constant is over de hele lengte. Verwaarloos hierbij de wrijving en de massa van de katrollen en touwen zelf.

Slide 18 - Tekstslide

Zelfstandig aan de slag
H3: 
Lees blz 34, 35                  Maak: 45 t/m 49

A3: 
Lees blz 39-40(tot arbeid blijft constant) Maak: 52 t/m 57

Ben je klaar? Bekijk paragraaf 4 nog eens. Of maak een samenvatting van paragraaf 4


timer
8:00

Slide 19 - Tekstslide