Les 12 mei

Vandaag
Opwarmer
telwoorden
Werkwoorden tt 
Woordvolgorde
Boek: Nederlands in Gang


1 / 57
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Enseignement Secondaire

In deze les zitten 57 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vandaag
Opwarmer
telwoorden
Werkwoorden tt 
Woordvolgorde
Boek: Nederlands in Gang


Slide 1 - Tekstslide

Opwarmer
https://jeugdjournaal.nl/artikel/2614082-het-songfestival-begint-dit-zijn-de-favorieten-niet-nederland-dit-keer

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Hoe oud ben jij?
(schrijf het in letters)

Slide 4 - Open vraag

3
A
dire
B
drie
C
derie
D
trie

Slide 5 - Quizvraag

20
A
twintig
B
twentig
C
twinteg
D
twenteg

Slide 6 - Quizvraag

negen - drie =
A
vier
B
vijf
C
zes
D
zeven

Slide 7 - Quizvraag

Veertien - vier = elf
A
waar
B
niet waar

Slide 8 - Quizvraag

vijf min vijf is
A
vijf
B
nul
C
tien
D
vijfentwintig

Slide 9 - Quizvraag



Hoeveel blokjes liggen hier?
A
zes
B
vijf
C
acht
D
zeven

Slide 10 - Quizvraag

Hoeveel blokjes liggen hier?
(schrijf in letters)

Slide 11 - Open vraag

Werkwoorden

Slide 12 - Tekstslide

Doel van de les
Ik kan werkwoorden vervoegen in de tegenwoordige tijd (nu)

Slide 13 - Tekstslide

Werkwoordspelling
Wat gaan we leren vandaag?

- wat zijn werkwoorden?
- wat is de tegenwoordige tijd? 
- hoe schrijf je een werkwoord in de tegenwoordige tijd?

Slide 14 - Tekstslide

Wat is een werkwoord?
Schrijf een aantal werkwoorden op.

Slide 15 - Woordweb

Wat is een goede zin?
A
Zij krijg een auto.
B
Zij krijgen een auto.
C
Zij krijg auto.
D
Zij krijgen auto.

Slide 16 - Quizvraag

Hoe maak je een goed werkwoord? 
Ik wandel
Jij wandel
Hij wandel
Zij wandelt
Wij wandelen
Jullie wandelen
Zij wandelen 

Slide 17 - Tekstslide

Hoe maak je een goed werkwoord? 
Ik doe boodschappen 
Jij doe ....  boodschappen
Hij doe .... boodschappen
Zij doe ..... boodschappen
Wij doen boodschappen
Jullie doen boodschappen
Zij doen boodschappen 

Slide 18 - Tekstslide

Hoe maak je een goed werkwoord? 
Ik fiets naar school 
Jij fietst naar school 
Hij  fietst naar school 
Zij  fietst naar school 
Wij  ..............naar school 
Jullie  ...........naar school 
Zij  ...........naar school 

Slide 19 - Tekstslide

De 'tegenwoordige tijd' is NU.
Welke zin is in de tegenwoordige tijd?
A
De kinderen spelen in de tuin.
B
De kinderen speelden in de tuin.

Slide 20 - Quizvraag

De 'tegenwoordige tijd' is NU.
Welke zin is in de tegenwoordige tijd?
A
Hij kreeg een boek voor z'n verjaardag.
B
Zij krijgen een taart voor hun verjaardag.
C
Wij kregen speelgoed op onze verjaardag.

Slide 21 - Quizvraag

LET OP: bij een vraag met 'jij'
Jij wilt een fiets > Wil jij een fiets? 
Jij maakt een taart > Maak jij een taart?
Jij loopt naar school > Loop jij naar school? 

Slide 22 - Tekstslide

Wat is de goede zin?
A
Wandel je even met me mee?
B
Wandelt je even met me mee?

Slide 23 - Quizvraag

Wat is de goede zin?
A
Bedenkt je even een ander plan?
B
Bedenk je even een ander plan?

Slide 24 - Quizvraag

Geef het goede antwoord in de tegenwoordige tijd.
Het meisje (bellen) de politie.
A
Het meisje belde de politie.
B
Het meisje bellen de politie.
C
Het meisje bel de politie.
D
Het meisje belt de politie.

Slide 25 - Quizvraag

Geef het goede antwoord in de tegenwoordige tijd.
Ik (dromen) van hoge bergen en zon.
A
Ik droom van hoge bergen en zon.
B
Ik drom van hoge bergen en zon.
C
Ik droomde van hoge bergen en zon.
D
Ik dromen van hoge bergen en zon.

Slide 26 - Quizvraag

Geef het goede antwoord in de tegenwoordige tijd.
De paarden (rennen) vrolijk in de wei.
A
De paarden rent vrolijk in de wei.
B
De paarden rennt vrolijk in de wei.
C
De paarden renden vrolijk in de wei.
D
De paarden rennen vrolijk in de wei.

Slide 27 - Quizvraag

Vul het goede werkwoord in.
Elke dag (leren) wij wat nieuws.

Slide 28 - Open vraag

Vul het goede antwoord in.
Morgen (spelen) ik weer met mijn poppen.

Slide 29 - Open vraag

Vul het goede antwoord in.
Mijn moeder (bakken) vaak een appeltaart.

Slide 30 - Open vraag

Vul het goede antwoord in.
De oude man (slapen) in zijn oude stoel.

Slide 31 - Open vraag

Wat is het goede werkwoord?
Hij (verkopen) de oude telefoon aan zijn zusje.
A
verkop
B
verkoop
C
verkopen
D
verkoopt

Slide 32 - Quizvraag

Wat is het goede werkwoord?
Jullie moeder (gapen) in de ochtend.
A
gap
B
gaap
C
gaapt
D
gapen

Slide 33 - Quizvraag

Wat is het goede werkwoord?
Hun ouders (tikken) op het raam.
A
tikken
B
tikten
C
tiken
D
tikt

Slide 34 - Quizvraag

Wat is het goede werkwoord?
Het jonge meisje (slepen) haar pop over straat.
A
sleept
B
sleep
C
slepen
D
slept

Slide 35 - Quizvraag

Waar bestaat een zin uit?
Zinsopbouw

Slide 36 - Tekstslide

Waar bestaat een zin uit?
1. onderwerp (ik, jij, hij of zij, U, wij, jullie, zij)
2. werkwoord (lopen, slapen, spelen, leren, betalen...)
3. de rest van de zin

Slide 37 - Tekstslide

Onderwerp
Wie of Wat?
Het onderwerp staat vooraan in de zin

Mohammed, Piet, de hond, de leraar, de mensen, de politie, etc.

Mohammed speelt altijd gitaar.

Slide 38 - Tekstslide

Werkwoord
Het werkwoord is het actiewoord in de zin. Het geeft aan wat er gebeurt of wat de persoon of het ding doet.

Slide 39 - Tekstslide

Rest van de zin
Waar, hoe, wanneer of met wie gebeurt het? 

Bijvoorbeeld:
Mohammed voetbalt zaterdags bij Blauw-zwart.

Slide 40 - Tekstslide

De woordvolgorde in een zin
1. Persoon
2. Werkwoord
3. Extra informatie
Hij
fietst
naar school.

Slide 41 - Tekstslide

De woordvolgorde 
1. Persoon Vraagwoord
2. Werkwoord
3.
Waar
4. Extra informatie
ik 
woon
in Maastricht
in het centrum 

Slide 42 - Tekstslide

De woordvolgorde in een normale zin
Normale woordvolgorde:
1. Het subject
2. Het werkwoord/ de persoonsvorm (direct verb)
3. De tijd
4. ander zinsdeel
5. De plaats 
Let op: 
tijd komt 
vóór plaats!
Osama
liep
toen
snel
naar huis. 

Slide 43 - Tekstslide

Wie doet wat wanneer en waar?

Denk aan hoofdletters!

Slide 44 - Tekstslide

Zinsbouw start

Wie/wat (onderwerp)?          Ik                                             De fiets
werkwoord                                 loop                                       heeft
Wanneer?                                   elke dag                               altijd
Wat?                                              5 km                                       een bel
W aar?                                          in het bos.                            op het stuur.

Slide 45 - Tekstslide

Wat is de goede volgorde in een gewone zin?
werkwoord (persoonsvorm)
wie/wat
(onderwerp)
wat, waar, wanneer
punt

Slide 46 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
Jij
schrijft
in je schrift
.

Slide 47 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
De auto
rijdt
door de straat
.

Slide 48 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
in de ochtend
De jongens
lopen
naar school
.

Slide 49 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
Jij
schrijft
elke ochtend
nieuwe zinnen
in je schrift
.

Slide 50 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
De juf
geeft
om 10 uur
de rekentoets
in het lokaal
.

Slide 51 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
Wij
leren
elke week
nieuwe werkwoorden
op school
.

Slide 52 - Sleepvraag

Maak een goede zin.
Jullie
pakken
in de pauze
de telefoons
uit de telefoonzak
.

Slide 53 - Sleepvraag

Oefenen!
https://wordwall.net/nl/resource/7814429/woordvolgorde-nt2-a2

Slide 54 - Tekstslide

Nederlands in gang
Start

Slide 55 - Tekstslide

Les 11 mei

Slide 56 - Tekstslide

Les 12 mei

Slide 57 - Tekstslide