Kennisquiz Helpende +

Kennisquiz Helpende +
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

Kennisquiz Helpende +

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Veruit de meeste mensen die te maken krijgen met een CVA hebben een hersenbloeding gehad.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 2 - Quizvraag

CVA heeft twee veel voorkomende vormen: het herseninfarct en de hersenbloeding. Ongeveer 80% van de mensen met een beroerte heeft een herseninfarct, 20% heeft een hersenbloeding.
Bij een herseninfarct is sprake van een verstopping in de bloedvaten door een propje, dichtslibbing of een combinatie daarvan. Als een bloedvat in de hersenen lekt of is geknapt, wordt dat een hersenbloeding genoemd.

Als je medicatie aanreikt/toedient controleer je volgens de regel van 5: de juiste cliënt, het juiste medicijn, de juiste tijd, de juiste wijze en .....?
A
de juiste verzekering
B
de juiste hoeveelheid

Slide 3 - Quizvraag

De 5x juist regel
Qua hygiëne zijn kunstnagels geen probleem, zolang ze maar niet te lang zijn. Juist of onjuist?
A
Juist
B
Onjuist

Slide 4 - Quizvraag

Het is niet hygiënisch om met kunstnagels te werken. De lengte hiervan maakt niet ui.
Welke wet regelt de onvrijwillige zorg?
A
Wkkgz
B
Wet op geneeskundige behandeling (WGBO)
C
Geneesmiddelenwet
D
Wet zorg en dwang

Slide 5 - Quizvraag

De Wkkgz gaat over kwaliteit, klachten geschillen

De WGBO gaat over de rechten en plichten van zorgvragers, met name toestemming en recht op informatie.

De Geneesmiddelenwet regelt in Nederland zaken rondom de productie, de handel, het voorschrijven en verstrekken van geneesmiddelen. De wet bevat ook voorschriften om een veilig gebruik van geneesmiddelen te stimuleren.
Wie is er verantwoordelijk voor de inname van een medicijn als jij als zorgverlener de medicatie KLAARZET voor de cliënt?
A
Jij
B
De cliënt zelf
C
De eerstverantwoordelijke
D
De arts

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wie is er verantwoordelijk voor de inname van een medicijn als jij als zorgverlener de medicatie AANREIKT aan de cliënt?
A
Jij
B
De cliënt zelf
C
De eerstverantwoordelijke
D
De arts

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als een zorgvrager moeite heeft met slikken mag een tablet altijd breken?
A
Juist
B
Onjuist

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij het toedienen van oogdruppers dien je de traanbuis minimaal 1 minuut dichtgedrukt te houden.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 9 - Quizvraag

Oogdruppels zijn bedoeld voor plaatselijke werking. Het is bij oog druppelen nooit de bedoeling dat het medicijn ook in het lichaam wordt opgenomen. Daarom wordt de traanbuis minimaal één minuut dichtgedrukt na het toedienen van oogdruppels.
Jouw cliënt gebruikt oogdruppels en oogzalf in hetzelfde oog. Wat dien je eerst toe?
A
Oogzalf
B
Oogdruppels

Slide 10 - Quizvraag

Indien een zorgvrager naast oogdruppels ook oogzalf gebruikt, dien dan eerst de oogdruppels toe. Na 5 minuten kan de oogzalf worden aangebracht worden.
Voor het toedienen van medicatie via de neus, vraag je de cliënt om de neus goed te snuiten of de neus op te halen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 11 - Quizvraag

Laat de zorgvrager voor gebruik de neus goed snuiten of maak de neus zo goed mogelijk schoon. Een alternatief voor het snuiten is het laten ophalen van de neus, hierbij worden de bijholten ook leeggezogen.
Bij mensen met diabetes kan een hypo of een hyper ontstaan. Bij een hypo is de bloedglucosewaarde te laag. Deze is lager dan:
A
8,0 mmol/l
B
6,0 mmol/l
C
4,0 mmol/l

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij mensen met diabetes dien je extra te letten op wondjes.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 13 - Quizvraag

Een complicatie van diabetes mellitus is dat de gevoeligheid en doorbloeding in bijvoorbeeld de voeten verminderd is waardoor men sneller wondjes heeft die slecht genezen. Wees hier alert op en schakel direct een collega (verpleegkundige) in als je dit opmerkt tijdens de persoonlijke verzorging. 
Veruit de meeste mensen die te maken krijgen met een CVA hebben een hersenbloeding gehad.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 14 - Quizvraag

CVA heeft twee veel voorkomende vormen: het herseninfarct en de hersenbloeding. Ongeveer 80% van de mensen met een beroerte heeft een herseninfarct, 20% heeft een hersenbloeding.


Welke vorm van een CVA zie je hier?

Slide 15 - Open vraag

Bij een herseninfarct is sprake van een verstopping in de bloedvaten door een propje, dichtslibbing of een combinatie daarvan. Als een bloedvat in de hersenen lekt of is geknapt, wordt dat een hersenbloeding genoemd.
Na een CVA kan er bij de persoon sprake zijn van verlamming.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vink aan welke van onderstaande aandoeningen een vorm van reuma is.
Meerdere antwoorden kunnen juist zijn.
A
Auto-immuunziekte
B
Artrose
C
Parkinson
D
Jicht

Slide 17 - Quizvraag

Reuma is een verzamelnaam voor meer dan 100 verschillende aandoeningen van het ‘bewegingsapparaat’ zoals gewrichten, spieren, pezen en botten, die niet door een ongeval zijn veroorzaakt. Bij sommige reumatische aandoeningen zijn ook de organen betrokken.
Globaal zijn de verschillende soorten van reuma te onderscheiden in:
1. auto-immuunziekten/ontstekingsreuma
2. artrose
3. jicht
4. osteoporose
5. weke delen-reuma

Wat voor medicatie wordt er gebruikt bij COPD?
A
Orale medicatie
B
Medicatie via de huid
C
Medicatie via het oog
D
Medicatie via de luchtwegen

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Dementie is een vorm van Alzheimer.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 19 - Quizvraag

Beetje een instinker, maar deze termen worden veel door elkaar gebruikt. Dementie is de naam van een syndroom en Alzheimer is een soort dementie. Alzheimer komt van alle soorten het meest voor.
Een maskergelaat (een verminderde gezichtsuitrdrukking) is een typerend symptoom van welke aandoening?
A
Dementie
B
COPD
C
Parkinson
D
Reume

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is in veruit de meeste gevallen de oorzaak dat iemand COPD krijgt?

Slide 21 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Volgens welke veel gebruikte methode rapporteer je in het zorgplan?

Slide 22 - Open vraag

R apporteren met de SOAP- methode
• SUBJECTIEF: wat geeft de zorgvrager zelf aan?
• OBJECTIEF: wat observeer jij als zorgverlener?
• ANALYSE: welke conclusie trek jij hieruit?
• PLAN: wat ga je doen?

Een normale hartslag bij volwassenen ligt tussen de ?? en ?? slagen per minuut?

Slide 23 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Een volwassen man heeft een bloeddruk van 120/100. Waar is hier sprake van?
A
Normale, gezonde bloeddruk
B
Hoge bloeddruk
C
Lage bloeddruk

Slide 24 - Quizvraag

Een bovendruk van 120 of lager is een ideale bloeddruk. Hiermee heb je het minste risico op hart-en vaatziekten. Voor de onderdruk geldt dat deze idealiter onder de 90 is.
Bij een bovendruk tussen de 140 en 180 spreken we over een hoge bloeddruk. Indien de onderdruk tussen de 90 en 110 is, is er ook sprake van een hoge bloeddruk.

Een zorgvrager is ineens heel verward en ziet dingen die er niet zijn. Waarvan kan hier sprake zijn?

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zie je op deze hiel?

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

urinebuis
urineleider
nier
blaas

Slide 27 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel liter bloed wordt er dagelijks door de nieren gezuiverd?
A
100 liter
B
170-180 liter
C
1500 -2000 liter
D
3000 liter

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel urine produceren wij per dag?
A
2 tot 2,5 liter
B
1 tot 1,5 liter
C
500ml tot 1 liter
D
meer dan 2 liter

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van de nieren?
Kies het juiste antwoord
A
afvalstoffen uit bloed verwijderen
B
regeling van de bloeddruk
C
alle antwoorden zijn juist
D
regeling van water- en zoutenhuishouding

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De blaas hoort bij de...
A
Spijsverteringskanaal
B
Urinewegstelsel
C
Voortplantingsstelsel
D
Voortplantingsstelsel en urinewegstelsel

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar wordt urine aangemaakt?
A
Blaas
B
Lever
C
Nieren
D
Maag

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is in de meeste gevallen de oorzaak van een urineweg infectie?
A
Niet goed eten
B
Niet goed bewegen
C
Bacteriën van de darm
D
In de wind staan

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zorgvragers met een blaaskatheter hebben een grotere kans op een urineweginfectie.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke kleur zal de urine hebben bij een urineweginfectie?
A
witachtige troebele urine
B
donkergele urine
C
roodbruine urine

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies