Toets 04 Lesvoorbereiding

Met welke leerling moet de rijinstructeur korte stukken rijden en veel deelhandelingen oefenen?
A
Beginnende leerling.
B
Gevorderde leerling.
C
Met een leerling die een motorrijbewijs heeft.
1 / 60
volgende
Slide 1: Quizvraag
RijopleidingBeroepsopleiding

In deze les zitten 60 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Met welke leerling moet de rijinstructeur korte stukken rijden en veel deelhandelingen oefenen?
A
Beginnende leerling.
B
Gevorderde leerling.
C
Met een leerling die een motorrijbewijs heeft.

Slide 1 - Quizvraag

De rijinstructeur heeft te maken met een nerveuze leerling. Hoe moet hij de leerstof aanbieden?
A
In kleine leerstapjes.
B
De demonstratie vaker herhalen.
C
Veel meer uitleg geven.

Slide 2 - Quizvraag

De rijinstructeur heeft te maken met een leerling die traag van begrip is.
Hoe moet hij de leerstof aanbieden?
A
Kleine leerstapjes.
B
De demonstratie vaker herhalen.
C
Veel meer uitleg geven.

Slide 3 - Quizvraag

Een beginnende leerling moet afslaan naar links.
Op enige afstand zie je een V.O.P.
De leerling rijdt er met een te hoge snelheid op af.
Wat kan de rijinstructeur het beste doen in deze situatie?
A
Ja zegt: "Heb je de V.O.P. al gezien? Rem maar af."
B
Je zegt niks en wacht af wat leerling gaat doen.
C
Je remt iets af en zegt: "Er ligt een V.O.P."

Slide 4 - Quizvraag

Welke fout bij het invoegen maken
de meeste leerlingen?
A
Stuurhouding.
B
Schakelen.
C
Controle dode hoek.

Slide 5 - Quizvraag

U gaat met uw leerling invoegen oefenen.
De leerling voegt te snel in.
Wat doet de leerling niet goed?
A
Ruimtekussen niet in acht genomen.
B
Snelheidsregeling is onjuist.
C
Positie bepaling is niet in orde.

Slide 6 - Quizvraag

U gaat met uw leerling invoegen oefenen.
De leerling voegt te laat in.
Wat is de oorzaak van te laat invoegen?
A
Ruimtekussen niet in acht genomen.
B
Snelheidsregeling is onjuist.
C
Niet ver vooruit gekeken.

Slide 7 - Quizvraag

Uw leerling in de fase van EVS voert een situatie, die hij nog niet heeft gehad, goed uit. Wat zegt u?
A
Goed zo.
B
U complimenteert hem en vraagt waarom hij dat zo heeft opgelost.
C
U zegt niets.

Slide 8 - Quizvraag

De leerling moet in een vak parkeren waarbij rechts en links geen voertuigen staan. Voor welke leerling is deze locatie het meest geschikt?
A
Leerling in de beginfase van opleiding.
B
Leerling in de fase van EVS.
C
Leerling in de fase van CVS.

Slide 9 - Quizvraag

Met het begrip "leeractiviteit" bedoelen
wij de manier waarop:
A
De instructeur de leerling in aanraking brengt met de leerstof.
B
De leerling en instructeur werken aan het bereiken van de leerdoelen.
C
De leerling zich de leerstof eigen maakt.

Slide 10 - Quizvraag

Je wil een einddoelstelling bereiken met je leerling. Welke doelstelling wil je met je leerling bereiken?
A
Een doelstelling uit het lesplan.
B
Een doelstelling uit het leerplan.
C
Een doelstelling die is vastgesteld door het CBR.

Slide 11 - Quizvraag

De leerling is behoorlijk ver gevorderd in de opleidingsfase van rijden in een eenvoudige verkeerssituaties. De eerst-volgende les wilt u met de leerling file parkeren oefenen. Hoe moet de lesopbouw er uitzien? Je wilt namelijk dat de leerling voldoende kan oefenen en gemotiveerd blijft.
A
U kiest een straat uit met geparkeerde auto's en oefent daar de hele les fileparkeren.
B
U rijdt een route en stopt aan het einde van de les om een paar keer te oefenen met fileparkeren.
C
Je rijdt een route waarbij je onderweg een paar keer stopt om file parkeren te oefenen.

Slide 12 - Quizvraag

Uw leerling zit in de fase van EVS. U wilt rechts afslaan op kruispunten gaan oefenen.
Hoe pakt u dit aan?
A
Tijdens het rijden opdracht geven af te slaan en zelf de stappen van het rechts afslaan hardop verwoorden.
B
Op een rustige plaats de stappen uitleggen met behulp van een tekening.
C
De leerling laten afslaan en zelf hardop laten verwoorden wat hij aan het doen is.

Slide 13 - Quizvraag

De leerling zit in de laatste fase van de rijopleiding.
Je rijdt een lesroute die je reeds had gepland.
Dit gaat prima, maar je komt plotseling in een mistbank terecht. Wat kan je het beste doen in deze situatie?
A
Je laat de les gewoon doorgaan.
B
Je kiest met de leerling een vervolg route die minder mistgevoelig is.
C
Je laat de leerling stoppen en je rijdt de leerling zelf naar huis.

Slide 14 - Quizvraag

Onder normale omstandigheden haalt een leerling op 80 km/h wegen met een bepaalde routine in. Maar als er niet voorziene dingen gebeuren, waarbij extra aandacht gewenst is, komt hij bij het inhalen nog vaak in de problemen. Wat is het beheersingsniveau van deze leerling?
A
Cognitief beheersingsniveau.
B
Geautomatiseerd niveau.
C
Half geautomatiseerd.

Slide 15 - Quizvraag

U bereidt een eerste rijles voor.
Welk van onderstaande onderdelen komt
als eerste aan de orde?
A
Afstellen spiegels.
B
Stuurhouding.
C
Zithouding.

Slide 16 - Quizvraag

Wat bepaalt in de eerste plaats welke
didactische werkvorm je gaat kiezen?
A
De beschikbare tijd.
B
De voorkeur van de rijinstructeur.
C
De te behandelen leerstof (doelstelling).

Slide 17 - Quizvraag

U bedenkt tijdens de les welke route u met de leerling gaat rijden. Wanneer kunt u dat het beste doen om uw lestijd zo effectief mogelijk te besteden?
A
Aan het begin van de les.
B
In de lesvoorbereiding.
C
Bij het begin van de rijopleiding.

Slide 18 - Quizvraag

Wanneer is er sprake van transfer van vaardigheden?
A
Als de instructeur de leerling een vaardigheid demonstreert.
B
Als er bij de leerling sprake is van vorming van een automatisme.
C
Als de leerling een aangeleerde vaardigheid toepast in een vergelijkbare situatie.

Slide 19 - Quizvraag

Aan het einde van de rijles 'rechts afslaan' maakt de leerling bij het zelfstandig uitvoeren nog steeds wat foutjes. Hoe kan je het beste commentaar geven?
A
Door meteen na de gemaakte fout commentaar te geven.
B
Door meteen de leerling te vragen wat er fout ging en waarom.
C
Aan het einde van de les commentaar geven.

Slide 20 - Quizvraag

Tijdens de eerste rijles begint de rijinstructeur met de leerling met gasgeven, koppeling en bedienen van de
versnelling op een afgesloten terrein.
De volgende les wil hij met het bovenstaande verder.
Wat moet de doelstelling zijn van die les?
A
De leerling kan in het gewone verkeer zelfstandig schakelen.
B
De leerling kan in het gewone verkeer met assistentie van de rijinstructeur schakelen.
C
De leerling kan aan het einde van de les zelfstandig bovenstaande op een afgesloten terrein.

Slide 21 - Quizvraag

Een instructeur bereidt een les voor met een leerling
die begint met het
rijden in EVS.

A
Deze situatie is juist geschikt in deze fase.
B
Deze situatie is te gemakkelijk voor een leerling in deze fase.
C
De situatie is te complex voor een een leerling in deze fase.

Slide 22 - Quizvraag

Je gaat met de leerling voor het eerst
achteruit in fileparkeren.
Je gaat stap voor stap instructie toepassen.
Wat zal het gevolg kunnen zijn voor de leerling?
A
Hij zal weinig fouten maken bij het achteruit fileparkeren.
B
Hij weet precies waar hij met achteruit fileparkeren moet beginnen.
C
Hij leert alle onderdelen van fileparkeren goed aan.

Slide 23 - Quizvraag

De leerling is bijna klaar voor zijn praktijkexamen. Op de autosnelweg voegt hij in met het zweet op zijn voorhoofd. In dat geval gaat hij fouten maken. Toch heeft hij meerdere keren laten zien dat hij het wel goed kan als het moeilijk is.
Wat kan de belangrijkste oorzaak hiervan zijn?

A
De leerling heeft stress.
B
De leerling is een thrillseeker.
C
De leerling heeft faalangst.

Slide 24 - Quizvraag

De fase van de voertuigbediening en de voertuigbeheersing is achter de rug. De leerling kan het voertuig zelfstandig bedienen. Je gaat een aantal lessen plannen. Welk onderwerp moet je didactisch gezien als laatste gaan behandelen?
A
Wegrijden en stoppen.
B
Inhalen.
C
Berijden van kruispunten.

Slide 25 - Quizvraag

U plant een les "bocht achteruit" rijden en kiest voor dit gebied. Voor welke fase in de opleiding is deze route het meest geschikt?

A
Vooral in de fase van EVS.
B
Vooral in de eindfase van de rijopleiding.
C
Vooral in de fase van zelfstandig rijden.

Slide 26 - Quizvraag

Je wilt de leerling alleen aanwijzingen
geven over zijn kijkgedrag.
Welke stap van de mentorfase wordt
ten uitvoer gebracht?
A
Doe met mij mee.
B
Doe op aanwijzing.
C
Doe op minder aanwijzing.

Slide 27 - Quizvraag

U rijdt met uw leerling bij deze wegwerkzaamheden.
Dit is een voorbeeld van:

A
Doelgerichte lesvoorbereiding.
B
Effectieve lestijd optimaal benutten.
C
Anticiperen op gevaar.

Slide 28 - Quizvraag

Voor welke leerling is deze geschikt, om de hellingproef te oefenen?

A
Voor de leerling in de eindfase van de rijopleiding.
B
Voor geen enkele leerling is deze situatie geschikt.
C
Voor een leerling die dit nog nooit gedaan heeft.

Slide 29 - Quizvraag

Wat is een handelingsanalyse?
A
Alleen verkeershandelingen tijdens een praktische les.
B
Een complexe handeling die in deelhandelingen is onderverdeeld.
C
Het analyseren van door de leerling uitgevoerde handelingen.

Slide 30 - Quizvraag

Een leerling wil zo snel mogelijk zijn rijbewijs halen. Het autorijden vindt hij ondergeschikt.
Sociaal rijgedrag is een probleem voor hem.
Hoe ga je dit oplossen?

A
Je vraagt aan de leerling de hardop denkmethode toe te passen bij een aantal kritische situaties.
B
Je vraagt bij elke situatie waar sociaal rijgedrag aan de orde is naar het waarom van zijn gedrag.
C
Je geeft bij de samenvatting een voorbeeld waarbij de leerling zich in de andere verkeersdeelnemers moet verplaatsen.

Slide 31 - Quizvraag

De instructeur wil een leerling aanleren hoe hij het achteruitrijden in een aangegeven
bocht correct moet uitvoeren.
Wat kan je het beste doen in deze situatie?

A
Minimaal 2 keer direct achter elkaar op dezelfde plaats oefenen.
B
Op twee verschillende locaties 1 keer oefenen.
C
Een keer oefenen op één plaats en de volgende les opnieuw ergens anders oefenen.

Slide 32 - Quizvraag

Wanneer kan je het beste 'milieu- en energiebewust rijgedrag' bij de lessen betrekken?
A
Bij de fase van 'voertuigbeheersing'.
B
Einde van de fase CVS.
C
Einde van de fase EVS.

Slide 33 - Quizvraag

In welke fase van de opleiding moet de leerling milieubewust kunnen rijden?
A
In de fase van EVS.
B
In de fase van de voertuigbeheersing.
C
In de laatste fase van de opleiding.

Slide 34 - Quizvraag

Een paar kinderen fietsen voor de auto "breed uit" waardoor de leerling niet kan inhalen. De leerling raakt hierdoor geïrriteerd. Wat is didactisch het beste in deze situatie?
A
Een route kiezen met minder fietsers.
B
De irritatie meteen met de leerling bespreken.
C
Je zegt dat de leerling zicht niet zo moet ergeren aan de fietsers.

Slide 35 - Quizvraag

De leerling zit in de fase van EVS.
Hij rijdt te langzaam.
Welke vraag kan je didactisch
gezien het beste stellen?

A
Je vraagt: "Waarom rijdt je zo langzaam?"
B
Je vraagt: "Wat is de maximumsnelheid op deze weg?"
C
Je zegt: "Je hebt het door dat je te langzaam rijdt hé, geef eens gas bij".

Slide 36 - Quizvraag


Je hebt te maken met een nerveuze leerling die reeds op een parkeerterrein de doorgeef methode heeft geoefend. Op welke locatie ga je dit 
verder oefenen?
A
A
A
B
C
A
Op Locatie A.
B
Op Locatie B.
C
Op Locatie C.

Slide 37 - Quizvraag

De rijinstructeur wordt gebeld door een leerling met een vraag. De instructeur zegt dat hij met een rijles bezig is en dat hij niet in de gelegenheid is om op die vraag in te gaan. Hij zegt verder dat hij later zal terugbellen.
Wat is didactisch gezien het gevolg hiervan?
A
Verlies aan leertijd is op dat moment minimaal.
B
De bellende leerling leert op andere momenten te bellen.
C
De bellende leerling krijgt geen of te weinig informatie.

Slide 38 - Quizvraag

Een instructeur heeft een leerling die de les van vandaag weer niet heeft voorbereid.
Wat kan de instructeur het beste doen?
A
Gewoon doorgaan met de nieuwe les.
B
Door vragen te stellen de leerling laten merken dat hij de les had moeten voorbereiden.
C
Teruggaan naar de vorige les. Het nieuwe onderdeel dus niet behandelen.

Slide 39 - Quizvraag

Een leerling zit net een paar lessen voor zijn praktijkexamen. Hij rijdt over het algemeen goed, maar moet vooral leren zelfstandig te rijden. Wat kunt u het beste doen om de leerling voldoende uit te dagen?
A
U geeft de leerling enkele aanwijzingen hoe hij naar een bepaald punt, bijvoorbeeld gemeentehuis, moet rijden.
B
U laat de leerling kiezen uit drie bestemmingen waar hij zelf heen mag rijden.
C
U laat de leerling naar een bepaald punt rijden in een andere stad.

Slide 40 - Quizvraag

De rijinstructeur plant zijn volgende rijles.
De leerling bevindt zich in de beginfase van EVS.
Welke mix van lesactiviteiten ga je plannen voor deze leerling?

A
Meer nadruk leggen op deeltaken oefenen en minder op rijden van lange stukken.
B
Ongeveer de helft van de les deeltaken oefenen en ongeveer de helft lange stukken rijden.
C
Meer nadruk op lange stukken rijden en minder op deeltaken oefenen.

Slide 41 - Quizvraag

Wat moet de rijinstructeur bij de uitleg in een les bijvoorbeeld "parkeren" zonder meer met de leerling bespreken?
A
Wat de leerling aan het einde van de les moet kennen en kunnen.
B
Welke lesonderdelen je hebt gepland.
C
De belangrijke stappen en kritieke punten van dat onderdeel en de foutgedraging.

Slide 42 - Quizvraag

De leerling zit in de fase van rijden in EVS.
Je rijdt met de leerling met een stormachtige wind buiten de bebouwde kom. De route had je zodanig gepland dat je over een dijk met bomen moet rijden.
Wat kan je didactisch gezien in deze situatie het beste doen?
A
Je laat de leerling de reeds geplande route rijden.
B
Je laat de leerling een andere route berijden.
C
Je waarschuwt de leerling voor windstoten. En blijft de geplande route rijden.

Slide 43 - Quizvraag

Je bent bezig met de voorbereiding van de les 'halve draai' .
De vorige les had je terugschakelen geoefend.
Hoe leg je het verband tussen de bekende en de nieuwe les?

A
Je besteedt bij controle aanvangsniveau extra aandacht aan stoppen en wegrijden op een vlakke weg.
B
Je vertelt de leerling dat hij enkele elementen van de vorige les vandaag ook weer nodig heeft.
C
Je vraagt aan de leerling welke handelingen hij reeds gehad heeft bij het huiswerk die deze les weer terugkomen.

Slide 44 - Quizvraag

Een leerling heeft de fase CVS geheel afgerond. De volgende les is het de bedoeling dat de leerling een route zoveel mogelijk zelfstandig gaat rijden. Je gaat een lesplan maken.
Op welke 2 activiteiten moet je de nadruk leggen?
A
Je gaat coachen en je laat de leerling hardop vertellen.
B
Je gaat hardop denken en je laat de leerling hardop denken.
C
Jij gaat Instructie geven en je laat de leerling hardop denken.

Slide 45 - Quizvraag

In welke fase van de mentorfase worden alleen nog de belangrijke stappen genoemd?
A
Doe met mij mee.
B
Doe op aanwijzing.
C
Doe op minder aanwijzing.

Slide 46 - Quizvraag

De leerling bevindt zich in de fase van EVS.
Waar is deze situatie het meest geschikt voor?


A
Het aanleren van opschakelen.
B
Het aanleren van inhalen.
C
Positie bepalen.

Slide 47 - Quizvraag

Een instructeur plant een theorieles met een groepje van 10 leerlingen.
Hij wil in 1e instantie een groepsopdracht laten maken en in 2e instantie een onderwijsleergesprek houden in het kader van verkeersmentaliteit.
Wat is didactisch gezien de beste groepsopstelling bij deze 2 didactische werkvormen?
A
De opdracht in groepjes en het onderwijsleergesprek in rijen.
B
De opdracht in groepjes en het onderwijsleergesprek in u-vorm.
C
De opdracht in rijen en het onderwijsleergesprek in u-vorm.

Slide 48 - Quizvraag

Je hebt een leerling, die in de eindefase zit van de opleiding en toch nog snel gedesintegreerd raakt. Hoe kan je dit zoveel mogelijk voorkomen?
A
Door in plaats van coachen veel instructie te geven.
B
Door regelmatig hints te geven.
C
Door aan het einde van de les uitgebreide feedback te geven.

Slide 49 - Quizvraag

Wat ziet u hier?
A
1 Rijbaan met 2 rijstroken.
B
1 rijbaan.
C
3 rijbanen.

Slide 50 - Quizvraag


De leerling is bezig met het rijden in EVS. De leerling maakt nog veel fouten in de bedieningsfase. Welke situatie is het meest geschikt voor de volgende les?
A
B
C
A
Situatie A is geschikt.
B
Situatie B is geschikt.
C
Situatie C is geschikt.

Slide 51 - Quizvraag


De leerling is bezig met het rijden aan het einde van EVS. Welke situaties zijn het meest geschikt voor de volgende les?
A
B
C
A
Situatie A en B zijn geschikt.
B
Situatie B en C zijn geschikt.
C
Situatie A en C zijn geschikt.

Slide 52 - Quizvraag


De leerling is bezig met het rijden aan het begin van CVS welke situatie is het meest geschikt voor de les afslaan?
A
B
C
A
Situatie A is geschikt.
B
Situatie B is geschikt.
C
Situatie C is geschikt.

Slide 53 - Quizvraag


Een leerling zit in de beginfase van de opleiding. Vervolgens kies je een route op de openbare weg. Welke situatie zal voor deze leerling de minste stress opleveren?
A
B
C
A
Situatie A.
B
Situatie B.
C
Situatie C.

Slide 54 - Quizvraag

Wat is de meest passende didactische functie van een videocamera bij een praktijkles?
A
Aan de hand van de beelden uitleggen welke dingen de leerling nog fout doet.
B
De beoordeling voor de instructeur eenvoudiger maken.
C
De leerling achteraf de beelden laten zien en bespreken wat goed en minder goed ging.

Slide 55 - Quizvraag

Je weet dat de leerling positief faalangstig is en je wil in deze les kruispunten gaan behandelen.
Hoe kunt u dan het beste een route plannen?
A
U plant een route waarin u alle stappen kunt behandelen en waarbij verschillende kruispunten aan bod komen.
B
U plant een route waarin veel verschillende kruispunten zitten.
C
U plant een uitdagende route met veel verkeer.

Slide 56 - Quizvraag

Je gaat invoegen op een autosnelweg
met een korte invoegstrook.
Op de doorgaande rijbaan is veel verkeer.
Voor wie is deze situatie geschikt?
A
Als de leerling het invoegen voor de eerste keer moet oefenen.
B
Als de leerling het invoegen al een paar keer heeft geoefend.
C
Als de leerling het invoegen heeft geautomatiseerd.

Slide 57 - Quizvraag

Waarin komt het opleidingsaanbod van de rijschool en de globale opzet van de leerstof en de examens aan de orde?
A
Leergang.
B
Leerplan.
C
Lesplan.

Slide 58 - Quizvraag

Je leerling spiegelt nog niet goed bij het wegrijden.
Je wilt op dat moment met hem een parkeervak verlaten, maar je twijfelt of hij al dan niet gezien heeft
wat er om hem heen gebeurt.
Wat kun je doen om dit te controleren?
A
Wachten tot hij niet goed kijkt en er dan direct iets van zeggen.
B
Hem vragen hardop te denken bij het wegrijden.
C
Achteraf vragen wat hij fout had gedaan.

Slide 59 - Quizvraag

Een instructeur rijdt met de leerling tijdens de eerste rijles een leeg parkeerterrein op. Hij leert de leerling sturen en gas geven. Hij merkt dat de leerling na twee rondjes niet veel plezier heeft in de les. Hoe kan je de leerling verder uitdagen?
A
Pionnen plaatsen en daar met lage snelheid tussendoor laten sturen.
B
Pionnen plaatsen en vragen zo snel mogelijk foutloos langs de pionnen te sturen.
C
Naar een rustige woonwijk rijden en daar verder oefenen.

Slide 60 - Quizvraag