1.1 Stoffen in huis

Hoofdstuk 1 Stoffen
Par. 1.1 Stoffen in huis
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 1 Stoffen
Par. 1.1 Stoffen in huis

Slide 1 - Tekstslide

Wat weet je al?
  • Ga naar de methodesite.
  • Ga naar Hoofdstuk 1 "Stoffen".
  • Maak de opdrachten 1 t/m 9 van "Wat weet je al".
  • Klaar? lees dan de tekst van par. 1.1 uit je boek.

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen:
  • Je kunt vier stofeigenschappen benoemen die gebruikt worden om stoffen te herkennen.
  • Je kunt per stofeigenschap enkele voorbeelden geven.
  • Je kunt uitleggen in welke gevallen een stof gevaarlijk kan zijn.
  • Je herkent gevarensymbolen.
  • PLUSSTOF: Je kunt het verschil aangeven tussen H- en P-zinnen. 

Slide 3 - Tekstslide

Stoffen in huis

Slide 4 - Woordweb

Slide 5 - Tekstslide

Sleep de juist naam bij het plaatje. Weet je zeker dat dit goed is??
Hoe kun je zeker weten met welke stof je te maken hebt?
ZOUT
SUiKER
MEEL

Slide 6 - Sleepvraag

Hoe weet je zeker
dat je suiker hebt?

Slide 7 - Woordweb

Suiker kun je herkennen 
aan een aantal eigenschappen.
  • kleur
  • smaak
  • oplosbaarheid
  • brandbaarheid


De eigenschappen waar je een stof aan kunt herkennen
noemen we STOFEIGENSCHAPPEN.

Slide 8 - Tekstslide

Stofeigenschap
  • Een stofeigenschap is een eigenschap
      waar je een stof aan kunt herkennen.
  • De combinatie van stofeigenschappen
      geeft de "vingerafdruk" van een stof.
  • Een stofeigenschap moet altijd geldig zijn.

        VOORBEELD SUIKER: 
zoete smaak, oplosbaar in water, brandbaar, vaste stof bij kamertemperatuur

Slide 9 - Tekstslide

Een stofeigenschap van zout is:
A
de korrelgrootte
B
de smaak
C
hoe zwaar het is
D
de temperatuur

Slide 10 - Quizvraag

Water kookt bij 100°C.
Dat is .......................
stofeigenschap van water.
A
wel
B
geen

Slide 11 - Quizvraag

Water is vaak vloeibaar.
Dat is .................
stofeigenschap van water.
A
wel
B
geen

Slide 12 - Quizvraag

Stoffen ordenen
Meestal gebruik je toepassingen of eigenschappen van stoffen om deze te ordenen. Voorbeeld: eten en verf staan niet in dezelfde kast!

Slide 13 - Tekstslide

Stoffen en veiligheid.
  • als je de stof inademt;
  • als je de stof inslikt;
  • als je de stof op je huid, in je ogen of op je kleren krijgt;
  • als je er met vuur bij komt;
  • als je de stof met een andere stof mengt
pictogrammen
Soms kan een stof gevaarlijk zijn.

Slide 14 - Tekstslide

Stoffen en veiligheid
Let op de gevarensymbolen (pictogrammen).
De symbolen uit figuur 3, met hun betekenis en uitleg moet je kennen.

Slide 15 - Tekstslide

PLUS
H-zinnen --> Hazard (risico)
P-zinnen --> Precaution (voorzorg)

Hiernaast een voorbeeld van de stof ammonia,
dat is een schoonmaakmiddel dat 
ontvettend werkt.

Slide 16 - Tekstslide

Opdracht
Maak de opgaven van par. 1.1 op de site van de methode.

Slide 17 - Tekstslide

Heb je de leerdoelen gehaald?
  • Je kunt vier stofeigenschappen benoemen die gebruikt worden om stoffen te herkennen.
  • Je kunt per stofeigenschap enkele voorbeelden geven.
  • Je kunt uitleggen in welke gevallen een stof gevaarlijk kan zijn.
  • Je herkent gevarensymbolen.
  • PLUSSTOF: Je kunt het verschil aangeven tussen H- en P-zinnen. 

Slide 18 - Tekstslide