Starttaal VERVOLG - B - thema 5 - WOORDENSCAHT 1 - les 1

1 / 28
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 28 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

        thema 5 -  vervoer

les 1

woordenschat

        thema 5 -  vervoer

blz 10-11

        thema 1 -  identiteit 

blz 13


woordenschat

        thema 1 -  doel van de les

Ik ken de betekenis van de themawoorden over vervoer. 

Ik begrijp wat vergelijkingen zijn.

        het abonnement


Het bewijs dat je betaald hebt om ergens regelmatig gebruik van te maken.


Mijn broer koopt elke maand een abonnement voor de bus.

blz 14 - 15

de boete


Het geld dat je als straf moet betalen.

Als je zonder licht fietst, kun je een boete van de politie krijgen.


  de chauffeur


Iemand die een wagen bestuurt, bijvoorbeeld een auto of bus.

De chauffeur rijdt de auto keurig de garage in.


  de chauffeur


       de conducteur

Iemand die in een trein of tram de vervoersbewijzen controleert.

Sanne geeft haar treinkaartje aan de conducteur.


       de dienstregeling

De vaste tijden waarop treinen, trams of bussen rijden.


Volgens de dienstregeling vertrekt de volgende trein naar Groningen over 25 minuten.


        de file

Een lange rij met auto's die stilstaan of langzaam vooruitgaan.



Tussen Amsterdam en Amersfoort stond een file van 8 kilometer.

        de machinist

De machinist reed niet verder, omdat het sein op rood stond.

Iemand die een trein bestuurt.




        het ongeluk

Een onverwachte gebeurtenis die vaak schrik en soms pijn veroorzaakt.



Bij dat ongeluk zijn twee auto's tegen elkaar gebotst.

        het openbaar vervoer

Alle treinen, bussen en trams waar iedereen gebruik van kan maken.


Als je met het openbaar vervoer reist, hoef je niet zelf te rijden.

        het rijbewijs

Een rijbewijs dat je iets mag besturen, bijvoorbeeld een auto.

Toen hij achttien werd, begon Sander direct met rijlessen om zijn rijbewijs te halen.


        de spits

De momenten van de dag dat het heel druk is in het verkeer.

Vanochtend stond er 400 kilometer file tijdens de spits.

        het verkeer

Alle mensen, fietsen en voertuigen die op straat lopen of rijden.

Het verkeer stond helemaal

vast toen de stoplichten niet meer werkten.

        het vervoersbewijs

Een bewijs dat je betaald hebt voor een reis, zoals een treinkaartje.

Als je met de trein reist,

heb je wel een geldig vervoersbewijs nodig.

        het vervoermiddel

Een middel waarmee jij je verplaatst.

Een auto is een sneller vervoermiddel dan een fiets.

        de vertraging

Als je door omstandigheden later aankomt dan normaal.

Doordat de trein vertraging had, kwamen we te laat aan op het feest.

Wat is ..?

blz 16

Wat is ..?

blz 16

opdracht 1 - De themawoorden bespreken

blz 16-17

opdracht 2 - Themawoorden in een zin

blz 18-19

opdracht 4b - Creatief met themawoorden

blz 22

maken

opdracht 1a, blz 16 & 17


opdracht 2, blz 18 & 19




laten zien aan docent


daarna oefenen in Studiemeter