thema 5 - vervoer
les 1
woordenschat
thema 5 - vervoer
blz 10-11
thema 1 - identiteit
blz 13
woordenschat
thema 1 - doel van de les
Ik ken de betekenis van de themawoorden over vervoer.
Ik begrijp wat vergelijkingen zijn.
het abonnement
Het bewijs dat je betaald hebt om ergens regelmatig gebruik van te maken.
Mijn broer koopt elke maand een abonnement voor de bus.
blz 14 - 15
de boete
Het geld dat je als straf moet betalen.
Als je zonder licht fietst, kun je een boete van de politie krijgen.
de chauffeur
Iemand die een wagen bestuurt, bijvoorbeeld een auto of bus.
De chauffeur rijdt de auto keurig de garage in.
de chauffeur
de conducteur
Iemand die in een trein of tram de vervoersbewijzen controleert.
Sanne geeft haar treinkaartje aan de conducteur.
de dienstregeling
De vaste tijden waarop treinen, trams of bussen rijden.
Volgens de dienstregeling vertrekt de volgende trein naar Groningen over 25 minuten.
de file
Een lange rij met auto's die stilstaan of langzaam vooruitgaan.
Tussen Amsterdam en Amersfoort stond een file van 8 kilometer.
de machinist
De machinist reed niet verder, omdat het sein op rood stond.
Iemand die een trein bestuurt.
het ongeluk
Een onverwachte gebeurtenis die vaak schrik en soms pijn veroorzaakt.
Bij dat ongeluk zijn twee auto's tegen elkaar gebotst.
het openbaar vervoer
Alle treinen, bussen en trams waar iedereen gebruik van kan maken.
Als je met het openbaar vervoer reist, hoef je niet zelf te rijden.
het rijbewijs
Een rijbewijs dat je iets mag besturen, bijvoorbeeld een auto.
Toen hij achttien werd, begon Sander direct met rijlessen om zijn rijbewijs te halen.
de spits
De momenten van de dag dat het heel druk is in het verkeer.
Vanochtend stond er 400 kilometer file tijdens de spits.
het verkeer
Alle mensen, fietsen en voertuigen die op straat lopen of rijden.
Het verkeer stond helemaal
vast toen de stoplichten niet meer werkten.
het vervoersbewijs
Een bewijs dat je betaald hebt voor een reis, zoals een treinkaartje.
Als je met de trein reist,
heb je wel een geldig vervoersbewijs nodig.
het vervoermiddel
Een middel waarmee jij je verplaatst.
Een auto is een sneller vervoermiddel dan een fiets.
de vertraging
Als je door omstandigheden later aankomt dan normaal.
Doordat de trein vertraging had, kwamen we te laat aan op het feest.
Wat is ..?
blz 16
Wat is ..?
blz 16
opdracht 1 - De themawoorden bespreken
blz 16-17
opdracht 2 - Themawoorden in een zin
blz 18-19
opdracht 4b - Creatief met themawoorden
blz 22
maken
opdracht 1a, blz 16 & 17
opdracht 2, blz 18 & 19
laten zien aan docent
daarna oefenen in Studiemeter