Burgers en Stoommachines Quiz

Burgers en stoommachines

Quiz

1 / 20
volgende
Slide 1: Slide
newEditorGeschiedenisMiddelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoLeerjaar 2-4

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Burgers en stoommachines

Quiz

Welk begrip hoort bij deze betekenis: Periode van grote en snelle verandering in West-Europa door de komst van industrie; deze periode duurde van 1760 tot 1850.

A

Industrialisatie

B

Kapitalisme

C

Industriële revolutie

D

Monarchie

Wat is industrialisatie?

A

Een periode van grote en snelle verandering door de komst van industrie.

B

Het ontstaan van industrie (fabrieken) in een gebied waar eerst vooral landbouw was.

C

Een speciale dans.

D

Mensen die in fabrieken werken.

Wat is een van de belangrijkste uitvindingen van de revolutie?

A

stoommachine

B

ploeg

C

straatverlichting

D

dienstensector

In welk land begon de Industriële revolutie?

A

Frankrijk

B

Engeland

C

Nederland

D

Duitsland

Rond 1800 werkten de meeste mensen in Nederland in de:

A

landbouw

B

handel

C

industrie

D

diensten

Door welke uitvinding konden de mensen, rond 1740, sneller weven?

A

De uitvinding van de stoommachine

B

De uitvinding van de Spinning Jenny

C

De uitvinding van de schietspoel

D

De uitvinding van het weefgetouw

In welke beroepen begon de Industriële revolutie?

A

Handel en Nijverheid

B

Handel en Landbouw

C

Landbouw en textiel

D

Textiel en handel

Door welke uitvinding konden de mensen, rond 1760 sneller spinnen?

A

De uitvinding van de stoommachine

B

De uitvinding van de Spinning Jenny

C

De uitvinding van de schietspoel

D

De uitvinding van het spinnewiel

Noem 1 voorbeeld waaruit blijkt dat de woonomstandigheden van de arbeiders vaak zeer slecht waren.

Noem 1 voorbeeld waaruit blijkt dat de werkomstandigheden van de arbeiders vaak zeer slecht waren.

Welke bewering over de afbeelding is juist?

A

De bron is kenmerkend voor de tijd rond 1850, want toen waren er nog geen fabrieken die het werk van de molens overnamen.

B

De bron is kenmerkend voor de tijd rond 1850, want toen werd de windmolen uitgevonden en rond de steden neergezet.

C

De bron is kenmerkend voor de tijd rond 1900, want toen begon de industrialisatie van Nederland met het gebruik van de windmolen.

D

De bron is kenmerkend voor de tijd rond 1900, want toen stapten de fabrikanten over op goedkope en milieuvriendelijke aandrijfkracht.

Met welke bedoeling is deze ansichtkaart waarschijnlijk gemaakt?

A

De directie was trots op de fotografische techniek.

B

De directie was trots op de moderne fabriek.

C

De directie wilde protesteren tegen de onveilige werksituatie.

Waar leefde de meeste mensen voor de industriële revolutie?

A

in arbeiderswijken in een dorp

B

in een arbeiderswijk in de stad

C

Op het platteland

D

in fabrieken

De eerste fabrieken werden gebouwd...

A

Op grote industrieterreinen

B

Bij snel stromende rivieren

C

Dichtbij de steden

D

In de kolonies

In 1999 zei een Nederlandse minister: "Ruim 300 jaar geleden had Nederland de modernste en snelst groeiende economie van de wereld. Zo was rond het jaar 1700 het inkomen 50% hoger dan bij de belangrijkste concurrent, Groot-Brittannië." Was de situatie omstreeks 1800 nog zo?

A

Ja, Nederland was een modern land waar veel geld in de industrie werd verdiend.

B

Ja, Nederland was nog steeds het land waar de meeste mensen in fabrieken werkten.

C

Nee, de economie van Groot-Brittannië was moderner geworden dan de Nederlandse.

D

Nee, Groot-Brittannië en Nederland waren allebei een moderne industriële samenleving.

Politieke partijen die in hun programma uitgaan van het geloof.

A

Feministen

B

Socialisten

C

Confessionelen

D

Liberalen

Politieke stroming die vrijheid belangrijk vindt.

A

Feministen

B

Socialisten

C

Confessionelen

D

Liberalen

Vrouwenbeweging die streed voor gelijke rechten en kansen voor vrouwen.

A

Feministen

B

Socialisten

C

Confessionelen

D

Liberalen

Het kinderwetje van Van Houten gaat over:

A

leerplicht

B

verbod op kinderarbeid

C

je mocht maar 2 kinderen krijgen

D

toeslag voor ouders met kinderen.