Leesvaardigheid (herhaling)

Leesvaardigheid

1 / 37
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavoLeerjaar 1,3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Leesvaardigheid

                       Vandaag


Herhaling belangrijkste begrippen/theorie leesvaardigheid



Lesdoelen 

Je kent de belangrijkste leesbegrippen en je kunt hiervan een samenvatting maken.

Leesstrategieën/leesmanieren


Je begrijpt teksten beter als je bewust nadenkt over de manier waarop je leest. 

De leesmanier hangt af van het doel dat je hebt.

 





Leesstrategieën/leesmanieren

Lees de onderstaande theorie


 Voor je begint met het echte lezen van een tekst, ‘lees’ je eerst verkennend. Je bekijkt wat voor soort tekst het is, voorspelt het onderwerp en bepaalt waarom je de tekst leest.


Een tekst die je helemaal wilt begrijpen, lees je vervolgens grondig. Je hebt een actieve leeshouding: je stelt vragen, denkt aan wat je al weet, ziet voor je wat je leest en lost dingen op die je niet begrijpt.


Een tekst waarin je bepaalde informatie opzoekt, lees je zoekend. Je leest niet de hele tekst, maar zoekt gericht naar de informatie die je nodig hebt.



Noem 3 leesstrategieën

Noem 4 tekstdoelen!

Amuserende tekst

Amuseren: 

de lezer vermaken met 

een grappige tekst.

Wat wil de schrijver met het tekstdoel 'amuseren'?

Wat is het doel van het recept op de vorige slide?

A

Informeren

B

Mening geven

C

Amuseren

D

Instrueren

De schrijver wil dat je iets wel of niet gaat doen. DOEL?

A

overhalen/aansporen

B

amuseren

C

overtuigen

D

informeren

De schrijver wil zijn mening geven. DOEL?

A

instrueren

B

overtuigen

C

informeren

D

activeren

Wat is het doel van de meeste krantenartikelen?

A

Informeren

B

amuseren

C

Uitleg geven

D

Overtuigen

                                       Tekstopbouw

- Een tekst is altijd opgebouwd uit drie onderdelen: Inleiding, kern en slot

- In de alinea’s van het middenstuk behandelt de schrijver het onderwerp van de tekst, waarbij elke alinea gaat over een nieuw deelonderwerp. 

- Vaak maken tussenkopjes duidelijk wat het deelonderwerp is in een of meer alinea’s.

Tekstopbouw

Onderwerp: Waar de tekst over gaat in een paar woorden


Deelonderwerp: Het onderwerp van een alinea


Kernzinnen: de belangrijkste zin uit een alinea


Hoofdgedachte: Waar de hele tekst over gaat in een zin (geen vraagzin!)

Bekijk de tekst.


Hoeveel alinea's heeft de tekst op de vorige slide?

A

2

B

3

C

4

D

5

Het onderwerp van de tekst noteer je in:

A

Een paar woorden.

B

Een hele zin.

C

In twee of meer zinnen.

D


In welke drie onderdelen is een tekst verdeeld?

Wat is een deelonderwerp?

Wat zou een deelonderwerp kunnen zijn in een tekst over school?

A

De dierenwinkel

B

De geschiedenis van voetbal

C

Pauzes in de aula

D

Zakgeld

Wat zou een deelonderwerp kunnen zijn in een tekst over politiek?

A

Gezelschapsspellen

B

Verkiezingen

C

Vakantiereizen

D

De woestijn

Hoe noemen we ook alweer de belangrijkste zin uit een alinea? Meestal de 1e, 2e of laatste zin.

Inleiding

Lees de theorie

- het onderwerp van de tekst noemen;


- een belangrijke vraag over het onderwerp stellen;

- een probleem noemen;

- een grappig of herkenbaar verhaaltje vertellen;

- iemands persoonlijke ervaring vertellen;

- de aanleiding noemen waardoor de tekst geschreven is – er gebeurde iets, waardoor het logisch was om nu deze tekst te schrijven. Voorbeelden: er is een onderzoek gedaan, er is een boek verschenen, iets is in het nieuws of het is een bepaalde datum, periode of seizoen.





Noem 1 manier hoe de schrijver een tekst kan inleiden

Slot

- een samenvatting geven;

- een conclusie trekken;

- antwoord geven op een belangrijke vraag;

- de oplossing voor een probleem geven;

- een advies geven of een oproep doen.

Noem 1 manier hoe de schrijver een tekst kan afsluiten

Hoofd- en bijzaken

Om een tekst samen te vatten, ga je op zoek naar de belangrijkste informatie, oftewel de hoofdzaken van de tekst. Deze vind je in de kernzinnen.


 De rest van de alinea’s bestaat uit uitleg of voorbeelden bij de kernzin. Dat zijn de bijzaken van de tekst. Deze neem je niet op in een samenvatting. 

Uitzondering hierop zijn schoolboekteksten, want daarin heb je de uitleg en de voorbeelden vaak nodig om de stof goed te kunnen begrijpen.

Tekstverbanden!!!


Noem de tekstverbanden die je kent

Youri ging naar school, maar was eigenlijk verkouden.

A

Tegenstelling

B

Opsomming

C

Reden

D

Voorbeeld

Welke 2 signaalwoorden horen bij een 'opsommend' verband?

A

Dus, echter

B

Vervolgens, ook

C

Als, voordat

D

Verder, samengevat

Noem twee signaalwoorden bij een tegenstelling

Hoe gaat leesvaardigheid?

Huiswerk voor de volgende les


Boek A

1.2 informatieve tekst

opdracht 2, 3,5, 6 en 9 

blz. 12 t/m 17