cross

wk 13: kww + vr. vnw + betr.vnw + aanw.vnw 2R en 2Q

1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 13 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we bij grammatica doen?
  • We herhalen de 2 woordsoorten uit de vorige les: het vragend voornaamwoord en het koppelwerkwoord.
  • In deze les oefenen we met het vr.vnw, aanw.vnw bez.vnw
  • Je kunt het koppelwerkwoord herkennen in de zin
  • Je leert wat een betrekkelijk voornaamwoord is

Slide 2 - Tekstslide

Herhaling vorige les:
Mocht je deze 2 woordsoorten nog niet op je gele kaartje of in je schrift hebben staan, doet dit dan eerst.

Vr.vnw
 (vragend voornaamwoord)
Er zijn 4 vr.vnw: wie, wat, welke, wat (voor een)

Ze kunnen overal in de zin staan (niet per se vooraan in een vraagzin dus).
Maak een aantekening op je gele kaartje van deze 2 bladzijden (of in je schrift als het kaartje foetsie is).


Slide 3 - Tekstslide

kww (koppelwerkwoord)
Er zijn 9 kww: worden, zijn, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen. De laatste 3 worden niet getoetst!

Een koppelwerkwoord koppelt informatie aan het onderwerp. De informatie bestaat nooit uit werkwoorden, maar wel uit andere woordsoorten zoals het bijvoeglijk naamwoord, het zelfstandignaamwoord, etc. 
In een zin met een kww is het onderwerp iets (het doet dus niets).


Slide 4 - Tekstslide

Opdracht maken
  • Drive --> grammatica --> blok 1 t/m 3 --> oefening koppelwerkwoord (alleen maken opdracht 2)
  • Nakijken bovenstaande opdracht: Drive -->grammatica --> blok 1 t/m 3 --> oefening koppelwerkwoord antwoorden

Slide 5 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord (betr.vnw)
Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst terug naar een woord of een woordgroepje dat er vlak voor staat. Er zijn 4 betrekkelijke voornaamwoord: die, dat, wat, wie

Neem deze aantekening over in je schrift en noem de aantekening: Het betrekkelijk voornaamwoord (betr.vnw).

Slide 6 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw.)
die 
dat
wie
wat
Let op! Die en dat kunnen ook aanw.vnw zijn
Let op! Wie en wat en dat kunnen ook vr.vnw zijn

Slide 7 - Tekstslide

Oefening: Noteer in je schrift de betrekkelijke voornaamwoorden uit de onderstaande zinnen: 
  1. Het schilderij dat ik heb opgehangen, hangt scheef. 
  2. De stoel die ik kocht, bleek kapot te zijn.
  3. Het slechte weer dat wij verwachtten, bleef uit. 
  4. Is dat alles wat we nodig hebben? 
  5. Hij kwam telkens te laat, wat mij behoorlijk irriteerde.  
  6. Het boek dat hij aanprees, heb ik daarom gekocht. 
  7. De kat die wij eten gaven, bleef bij ons. 

Slide 8 - Tekstslide

Antwoorden oefening:
Het schilderij dat ik heb opgehangen, hangt scheef. 
De stoel die ik kocht, bleek kapot te zijn.
Het slechte weer dat wij verwachtten, bleef uit. 
Is dat alles wat we nodig hebben? 
Hij kwam telkens te laat, wat mij behoorlijk irriteerde.  
Het boek dat hij aanprees, heb ik daarom gekocht. 
De kat die wij eten gaven, bleef bij ons. 

Slide 9 - Tekstslide

Aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw)
Een aanwijzend voornaamwoord wijst iets of iemand aan. Er zijn 4 aanwijzende voornaamwoorden: deze, dit, die, dat.


Tip: Als je twijfelt of een woord een aanw.vnw is, kijk dan of je bij het uitspreken van dat woord in de zin iets aan kunt wijzen. 

Slide 10 - Tekstslide

Het aanwijzen.....
In de onderstaande zin kun je bij het aanw.vnw echt iets aanwijzen:
Dat          hondje is van mij. 

In deze zin kan dit niet:
Het huis dat          daar staat is van mij. 

Slide 11 - Tekstslide

Opdrachten maken

  • Drive --> grammatica --> blok 1t/m 3: Opdracht aanw.vnw + vr.vnw +betr.vnw +bez.vnw maken + nakijken

Slide 12 - Tekstslide

Wat doen we de volgende les?
In de volgende les gaan we de werkwoordstijden aanleren (zie blz. 80 in je methode).

Slide 13 - Tekstslide