grammatica
grammatica
Wat gaan we leren?
-zinnen maken
De docent staat voor de klas
Wie?
Wat?
Waar?
Volgorde zinnen
Wie?
Wat?
Waar?
De leerling zit op de stoel
Wie?
Wat?
Waar?
NU jullie:
de klas in de de leerling zit
Goede zin
De leerling zit in de klas.
het weekend in verveel me ik
Goede zin
In het weekend verveel ik me.
IK verveel me in het weekend.
het toneel de man staat op
Goede zin
De man staat op het toneel.
mensen hou ik van
Goede zin
Ik hou van mensen.
pesten sommige jongeren
Correcte zin
Sommige jongeren pesten.
ruzie veel mensen hebben
Correcte zin
Veel mensen hebben ruzie.
Peter leest een boek op school.
Peter leest een boek.
Wie? Peter
Wat doet hij? Leest een boek
Waar? Op school Wanneer?..........
Zet in de goede volgorde
kijken wij een film in de bioscoop.
Wij kijken een film in de bioscoop.
Zet in de goede volgorde
springt Julia over het hek elke dag
Goede zin
Julia springt over het hek elke dag..
Elke dag springt Julia over het hek.
Julia springt elke dag over het hek.
Zet in de goede volgorde.
spreekt goed Nederlands zij
Goede zin
Zij spreekt goed Nederlands.
Zet in de goede volgorde.
vandaag moeten samenwerken wij
Goede zin
Vandaag moeten wij samenwerken.
Zet in de goede volgorde.
controleert de docent iedere dag het huiswerk
Goede zin
Iedere dag controleert de docent het huiswerk.
De docent controleert iedere dag het huiswerk.
De docent controleert het huiswerk iedere dag.