H3 Krachten

Hoofdstuk 3
Krachten
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nask / TechniekMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 3
Krachten

Slide 1 - Tekstslide

Verwachtingen:
  • Rustig meedoen
  • Je hand opsteken bij een vraag
  • Niet door mij of anderen heen praten
  • Niet op alles reageren 

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen:
Op het einde van deze les kan ik:
  • Uitleggen wat een kracht is.
  • Uitleggen waar ik krachten tegen kom.

Slide 3 - Tekstslide

Wat weet je over krachten

Slide 4 - Woordweb

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Slide 7 - Video

Slide 8 - Video

Slide 9 - Video

Ga aan de slag:
Maak paragraaf 3.1 Blok A in Learnbeat!

Dit is ook huiswerk!

Slide 10 - Tekstslide

Paragraaf 3.2

Verschillende krachten

Pak je schrift op tafel!

Slide 11 - Tekstslide

Verwachtingen:
  • Rustig meedoen
  • Je hand opsteken bij een vraag
  • Niet door mij of anderen heen praten
  • Aantekeningen maken
  • Niet op alles reageren 

Slide 12 - Tekstslide

Leerdoelen:
Aan het eind van deze paragraaf kan ik:
  • soorten krachten benoemen
  • uitleggen wat een kracht met een voorwerp doet
  • krachten meten
  • vertellen hoe groot de zwaartekracht is op aarde en op de maan

Slide 13 - Tekstslide

Wat is een kracht?
Je ziet een kracht niet, maar wel het effect

Bijvoorbeeld bij tennissen:
spierkracht  → racket → bal
bal wordt sneller
bal verandert van richting
bal en snaren vervormen

Slide 14 - Tekstslide

Wat kan een kracht?
Een kracht kan:
  • vorm veranderen
  • snelheid veranderen
  • bewegingsrichting veranderen

Slide 15 - Tekstslide

Soorten krachten (contact)
Krachten door aanraking:
Spierkracht
Veerkracht
Spankracht
Wrijvingskracht

Slide 16 - Tekstslide

Soorten krachten (op een afstand)
Krachten zonder aanraking:

magnetische kracht
elektrische kracht
zwaartekracht

Slide 17 - Tekstslide

Kracht als grootheid
Kracht is een grootheid.

Symbool: F
Eenheid: newton (N)
Genoemd naar Isaac Newton

Slide 18 - Tekstslide

Zwaartekracht
Zwaartekracht op aarde:
1 kg = 10 N
10 kg = 100 N

Zwaartekracht op de maan:
1 kg = 1,6 N
10 kg = 16 N

Slide 19 - Tekstslide

Kracht meten
Krachten meten kan je meten met een krachtmeter (veerunster)

Werkt met veerkracht:
grotere kracht → grotere uitrekking

Slide 20 - Tekstslide

Huiswerk

Lees en maak:
Paragraaf 3.2, blok C en D in Learnbeat


Slide 21 - Tekstslide

Paragraaf 3.3
Kracht en Nettokracht

Pak je spullen voor aantekeningen op tafel!

Slide 22 - Tekstslide

Verwachtingen
  • Rustig meedoen
  • Je hand opsteken bij een vraag
  • Niet door mij of anderen heen praten
  • Aantekeningen maken
  • Niet op alles reageren 

Slide 23 - Tekstslide

Leerdoelen
Aan het eind van deze paragraaf kan ik: 
  • uitleggen hoe krachten samenwerken en elkaar tegenwerken; 
  • krachten tekenen; 
  • rekenen met krachten.

Slide 24 - Tekstslide

Nettokracht
Meerdere krachten samen → nettokracht.

Bijvoorbeeld: Meer locomotieven = grotere kracht.


Slide 25 - Tekstslide

Evenwicht
Bij evenwicht zijn de krachten even groot.

Staan in tegengestelde richting.

Nettokracht = 0 N.

Slide 26 - Tekstslide

Geen evenwicht
Als krachten niet even groot zijn.

Dan wint de grootste kracht(en) en ontstaat er een beweging.

Slide 27 - Tekstslide

Krachten
Krachten teken ik als een pijl!

Zwaartekracht werkt op het midden van het voorwerp en wijst loodrecht naar beneden.

Slide 28 - Tekstslide

Rekenen met krachten
Krachten in dezelfde richting mag je bij elkaar optellen!

Krachten in tegenovergestelde richting doe je min elkaar!

Slide 29 - Tekstslide

Huiswerk
Lees en maak:
Paragraaf 3.3 Blok C en D

Slide 30 - Tekstslide

Paragraaf 3.4
Snelheid

Slide 31 - Tekstslide

Verwachtingen
  • Rustig meedoen
  • Je hand opsteken bij een vraag
  • Niet door mij of anderen heen praten
  • Aantekeningen maken
  • Niet op alles reageren 

Slide 32 - Tekstslide

Leerdoelen
Aan het eind van deze paragraaf kan ik:

  • vertellen wat het verschil tussen snelheid en gemiddelde snelheid is;
  • rekenen met snelheid;
  • snelheidsdiagrammen aflezen.

Slide 33 - Tekstslide

Snelheid
Snelheid = hoe snel iets beweegt.

Snelheid wordt gemeten door:
Flitspaal: meet de snelheid op een moment.
Trajectcontrole: meet gemiddelde snelheid over een langere tijd.

Slide 34 - Tekstslide

Eenheid snelheid
Verkeer: km/h.

Natuurkunde: m/s.

3 m/s = 3 meter per seconde.

Slide 35 - Tekstslide

Snelheid berekenen
Formule snelheid: 
s = v × t

s = afstand
v = snelheid
t = tijd

Slide 36 - Tekstslide

Belangrijk om te weten:
Gebruik m, m/s en s of km, km/h en h
Niet mengen!

1 m/s = 3,6 km/h.

Slide 37 - Tekstslide

Diagrammen
Je leest de snelheid af per moment.

Stijgende lijn: versnellen.
Dalende lijn: vertragen.

Plaats kun je niet aflezen.

Slide 38 - Tekstslide

Huiswerk
Lees en maak:
Paragraaf 3.4 blok C en D

Slide 39 - Tekstslide