W1 13-17 januari

B1-K1-W1: Inventariseert de ondersteuningsvragen





Deel 1
Week: 13 januari- 17 januari
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
WelzijnMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 42 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

B1-K1-W1: Inventariseert de ondersteuningsvragen





Deel 1
Week: 13 januari- 17 januari

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

To do: 
  • Digitale Oefentoets 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

B1-K1-W1: Inventariseert de ondersteuningsvragen





Deel 2
Week: 13 januari- 17 januari

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

To do: 
  • Herhalen W1
  • Zelfstandig werken

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhalen W1
Methodiek

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

LET op puntje 2 wordt ook wel systematisch genoemd

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

PDCA vertellen
Plan DO Check Act
ontwerpen, Uitvoeren, controleren, bijstellen. 


Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waarnemen doe je vaak onbewust
Observeren doe je bewust

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Participerende techniek: tijdens het observeren doe je zelf ook mee met de activiteit

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Theorie methodiek
  • Protocol: Methodische leidraad waarin voorschriften aangeven welke handelingen in welke volgorde uitgevoerd moeten worden

  • Visie: is een bepaalde kijk op iets, een gezichtspunt, een richtinggevende zienswijze

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

PDCA
Plan
Do 
Check 
Act 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doelgroepen

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verstandelijke beperking

Mensen met een verstandelijke beperking verschillen net zo veel van elkaar als andere mensen. Toch worden ze vaak als één groep gezien.


Verstandelijke beperking : Duidelijke beperkingen in zowel het intellectuele functioneren als het aanpassingsvermogen. De beperkingen treden op vóór de leeftijd van achttien jaar.


Intellectueel functioneren: Duidelijke problemen met leren, denken, geheugen. niet functioneren op 'norm leeftijd'
Aanpassingsvermogen: moeite met inspelen op (sociale) situaties, personen maar ook het zelfstandig kunnen functioneren op gebieden als wonen, werk etc.  PBGZ boek- thema 1.1

Slide 18 - Tekstslide

PBGZ boek- thema 1.1


Er is sprake van een duidelijke beperking in het intellectuele functioneren. Dit wil zeggen dat er duidelijk problemen zijn op verstandelijk gebied: (grote) problemen bij het leren, denken en onthouden van zaken. Denk hierbij niet alleen aan theoretische, maar ook aan praktische zaken. Jezelf kunnen aankleden bijvoorbeeld stelt eisen aan je (motorische) vaardigheid, maar je moet ook de volgorde waarin je de kleren moet aantrekken onthouden en (vooral) de logica daarvan inzien.

  • Naast de intellectuele beperking zijn er beperkingen in het aanpassingsvermogen. Denk bijvoorbeeld aan het vermogen in te kunnen spelen op anderen, op situaties of op gestelde eisen. Een persoon met een verstandelijke beperking heeft er moeite mee onafhankelijk te functioneren en verantwoordelijkheid te dragen.

  • De cliënt kan niet voldoen aan de normen die horen bij de leeftijd. Wat men kan en niet kan, is leeftijdsgebonden. Als een kind achterblijft in zijn ontwikkeling, kan alleen maar de vergelijking gemaakt worden met andere kinderen van die leeftijd.

  • Een persoon met een verstandelijke beperking heeft problemen op het vlak van sociale vaardigheden, verantwoordelijkheden, communicatie, onafhankelijkheid en zelfredzaamheid. Bij al deze zaken is een goed begrip van de situatie en de reacties van anderen nodig om correct te reageren. Een persoon met een verstandelijke beperking is daarom niet, of niet goed, in staat zelfstandig deel te nemen aan het verkeer, zelfstandig te wonen, zorg te dragen voor eigen veiligheid en gezondheid enzovoort. Deze situaties stellen eisen aan hem, waaraan hij niet kan voldoen. De mate waarin hij dit niet kan, verschilt per persoon.

  • De verstandelijke beperking komt voor het achttiende jaar tot uiting. Voor het achttiende levensjaar is duidelijk dat er sprake is van:

    • een te trage ontwikkeling;

    • stilstand in de ontwikkeling;

    • terugval in de ontwikkeling;

    • een incomplete ontwikkeling.

  • Indeling naar niveau's:

    In plaats van een indeling naar IQ, is er nu een indeling naar niveaus:

    1. mensen met een lichte verstandelijke beperking;

    2. mensen met een matige verstandelijke beperkin

    3. mensen met een ernstige verstandelijke beperking;

    4. mensen met een zeer ernstige verstandelijke beperking.

    Slide 19 - Tekstslide

    Mensen met een lichte verstandelijke beperking

    Mensen met een lichte verstandelijke beperking hebben meestal geen zorg of begeleiding nodig. Zelfstandigheid en zelfredzaamheid zijn bijna altijd mogelijk. Ze kunnen wel ondersteuning en voorlichting nodig hebben, bijvoorbeeld als er bijkomende stoornissen of problemen zijn. Ook een goede communicatie is mogelijk. Houd er rekening mee dat de persoon met een lichte verstandelijke beperking zich bewust is van zijn ‘anders-zijn’.

    Mensen met een matige verstandelijke beperking

    Mensen met een matige verstandelijke beperking kunnen zich meestal verbaal uiten, al is hun woordenschat beperkt. Ze zijn in staat een behoorlijke vorm van zelfredzaamheid te ontwikkelen. De motoriek is meestal redelijk goed ontwikkeld. Mensen met een matige verstandelijke beperking zijn aangewezen op zorg en begeleiding, waarbij de nadruk ligt op ondersteuning en voorlichting.

    Mensen met een ernstige verstandelijke beperking

    Mensen met een ernstige verstandelijke beperking hebben enig contact met de buitenwereld, al gedragen ze zich nogal eens passief. Meestal zijn ze in staat om enige zelfredzaamheid te ontwikkelen. Er kan starheid optreden: iets moet of kan alleen op een bepaalde manier en anders niet. Er is bijna altijd sprake van een zekere ontwikkeling van de motoriek. Mensen met een ernstige verstandelijke beperking zijn aangewezen op verzorging en begeleiding. De zelfzorg moet gedeeltelijk worden overgenomen en ondersteund.

    Mensen met een zeer ernstige verstandelijke beperking

    Mensen met een zeer ernstige verstandelijke beperking leven in een eigen wereld. Ze zijn in zichzelf gekeerd. Ze zijn nauwelijks in staat enige vorm van zelfredzaamheid te ontwikkelen. De motoriek is onvoldoende ontwikkeld. Soms zijn ze bedlegerig. Mensen met een zeer ernstige verstandelijke beperking zijn aangewezen op volledige verzorging en begeleiding van anderen.

    Indeling op ervaringsordening

    Ervaringsordening : Manier waarop iemand met een verstandelijke beperking zichzelf en de wereld om zich heen beleeft.
    1. vormgevende ervaringsfasen
    zelf vorm kunnen geven aan leven (LVB)
    2. structurende ervaringsfasen
    verbanden kunnen zien, niet teveel afwijken van patronen.
    3. associatieve ervaringsfasen :
    simpele verbanden leggen bijvoorbeeld pyjama pakken is naar bed gaan
    4. lichaamsgebonden ervaringsfasen :
    ervaart wereld door zintuigen
      


    Slide 20 - Tekstslide

    Ervaringsfasen- korte samenvatting melle-
    1 De lichaamsgebonden ervaringsfase
    ordenen van ervaringen zoals babys dit in eerste instantie doen. puur zintuigelijk.

    2 De associatieve ervaringsfase
    Het leggen van simpele verbanden/patronen. Bijv. het herkennen van aankleden.

    3 De structurerende ervaringsfase
    Niet alleen verbanden zien maar ook deze kunnen beoordelen en doorzien. er kan afgeweken worden van patronen.

    4 De vormgevende ervaringsfase
    Iets persoonlijks of unieks toevoegen. Dus zelf 'vormgeven'.

    Slide 21 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Motoriek
    Grove motoriek: omvat de grote gebaren met behulp van spieren en spiergroepen dicht bij de romp, zoals zwaaien, bukken, lopen, fietsen, zwemmen, traplopen en hinkelen.

    Fijne motoriek: vallen bewegingen als pakken van een speelgoedje, leggen van een puzzelstukje, vasthouden van een rozijn, sturen van een potlood over het papier, knippen, schrijven en een kraal aan een draad rijgen.

    Slide 22 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Wanen, Hallucinaties, Ilusie
    Wanen, Hallucinaties, Ilusie
    Wanen : Is verstoring in het denken.
    Dus het is er maar de client koppelt er een onjuiste gedachte of conclusie aan.
    Er lopen wel degelijk mensen met zwarte jassen op straat maar de client maakt hiervan dat deze mensen hem bespioneren.

    Hallucinaties: storing in waarneming.
    Zien, horen, voelen, proeven, ruiken wat er niet is.

     

    Illusie: Vervormd beeld.
    Stel je voor in de verte denk je een persoon te zien als je dichterbij komt is het een prullenbak. Je ziet dus wel iets maar koppelt er een verkeerd beeld aan (alsof je een bril nodig hebt)

    Slide 23 - Tekstslide

    Thema 3.8 PBSD boek


    1.Het gedrag van de persoon wijkt af van de sociale norm. In een samenleving bestaan bepaalde regels over wat ‘gezondheid’ is en wat normaal gedrag is. Dit is de sociale norm. Van dit criterium kan gezegd worden dat het objectief (feitelijk) is. Het horen van stemmen in je hoofd is niet ‘normaal’. Langdurig somber zijn en tot niets komen, of altijd optimistisch zijn en doorgaan zonder een moment rust, is ook niet ‘normaal’.

  • 2. Het gedrag heeft ongemak, lijden of bezorgdheid tot gevolg bij de persoon zelf en/of zijn omgeving. Van dit criterium kan worden gezegd dat het subjectief (persoonlijke zienswijze) is. Iemand heeft het gevoel dat het niet goed met hem gaat. Hij gaat gebukt onder zijn gedrag of emoties.

  • 3. De persoon kan zich niet anders gedragen dan hij doet. Er is sprake van een bepaald onvermogen om ander gedrag te kiezen. Het ontbreekt hem aan alternatieven voor zijn gedrag. Hij kan zichzelf niet voornemen om zich anders te gedragen of zich anders te voelen.

  • Vormen van kindermishandeling
    Lichamelijke mishandeling
    Emotionele of geestelijke mishandeling
    Lichamelijke verwaarlozing
    Emotionele of geestelijke verwaarlozing
    Seksueel misbruik: 

    Slide 24 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Feiten en cijfers :

    - 200.000 slachtoffers per jaar in nederland van ernstig huiselijk geweld. Daarmee is het de meest omvangrijke vorm van geweld in onze samenleving. 


    Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer wordt gepleegd. Het gaat om lichamelijk, psychisch (emotioneel) en seksueel geweld. Ook kindermishandeling, ouderenmishandeling en eergerelateerd geweld zijn vormen van huiselijk geweld.

    Slide 25 - Tekstslide

    Is niet voor toets of boek maar cijfers om omvang van probleem aan te geven.
    Syndroom van down kenmerken
    Aangeboren hartafwijking, verminderde weerstand (verhoogde kans op infecties van keel, neus, oren en luchtwegen), afwijkingen van het gebit, vervroegd verouderingsproces, vriendelijk en sociaal karakter, vaak spierslapte

    Slide 26 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Fasen van verslaving:
    1. Experimenteerfase
    2. Fase van sociaal of geintegreerd gebruik
    3. Fase van overmatig en schadelijk gebruik
    4. Verslavingsfase

    Slide 27 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Stadia dementie: maak aantekeningen!









    Zie thema 4.13 PBSD

    Slide 28 - Tekstslide

     Bedreigde ik = beginnende dementie
    Verdwaalde ik = matig ernstige dementie
    Verborgen ik = ernstige dementie (volledig afhankelijk)
    Verzonken ik = (cliënt kan niet meer lopen, spreekt nauwelijks, ligt vaak in foetushouding als pasgeboren baby)

    Zie thema 4.13 PBSD

    TIA of CVA ?
    (herseninfarct/hersenbloeding)

    Slide 29 - Tekstslide

    Wijs de studenten op het hoofdstuk Methodiek 2.8- Mijn studenten hebben dit ook gemaakt qua opdrachten. Dus hebben de voorkennis al.
    Geef mij de vijf methode
    De methode moet visueel worden ondersteund. 
      De hulp die je geeft, bestaat uit stuctuur en overzicht bieden.

    Slide 30 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    5. Belevingsgerichte zorg/hulpverlening:

    Een methode met als doel om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de belevingswereld van de cliënt. Wordt vooral ingezet in: Ouderenzorg/gehandicaptenzorg/psychiatrie.
    x ROT(B) - realiteits orientatie training (begeleiding) gericht op geheugen oefeningen wordt veel ingezet bij beginnende geheugenproblemen.
    x Warme zorg - huiselijke sfeer creeren, ''meebewegen'' met client
    X Levensboek - herkenning gevoel van angst verminderen. Tastbaar product.

    X Reminiscentie-  bewust ophalen van herrineringen bijvoorbeeld door muziek, materialen.
    X Snoezelen- zintuigactivering - doel:  ontspannen door diens zintuigen te stimuleren

    PSSSTTT.. Reminiscentie en snoezelen staat niet in het boek maar moet je weten voor in het werkveld.

    Slide 31 - Tekstslide

    Attendeer de studenten dat ze goed opletten. Bij het thema van huiselijk geweld gaan ze aan de slag met een casus en het maken van een krachtenanalyse. Vanuit krachtgericht werken/ vergelijkbaar met 8 fasenmodel


    Dia 5. belevingsgerichte zorg/hulp: (KOM NAAR ME TOE LEG IK HET KORT EVEN UIT)
    - ROB - kalenders die ze hangen in ouderenzorg/verzorgingstehuizen, met grote datums erop.

    Communicatie

    Slide 32 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Vraagsoorten
    Open vragen
    :
    Vragen waarbij de ander ruimte krijgt om te vertellen. Deze vragen beginnen met: wat, hoe, met welke reden, waarom. 
    Gesloten vragen: Vragen waarbij het antwoord met 'ja' of 'nee' gegeven kan worden. 
    Gerichte vragen: Doorvraagvragen zijn vragen die specifiek ergens naar vragen of meer doorvragen op het thema waar de ander over spreekt. 
    Suggestieve vragen: Vragen waarin een duidelijk oordeel van de vragensteller zit of een aanname van hoe de ander de situatie beoordeeld heeft. 

    Slide 33 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Slide 34 - Tekstslide

    Deze G-G-G-boodschap heeft effect, omdat de ander merkt dat je gekeken en/of geluisterd hebt. Met de uitspraken daarna laat je het gevoel en de betekenis blijken van wat je gezien en/of gehoord hebt. Hierdoor kan het contact met de ander sterker worden.

    Slide 35 - Tekstslide

    Interne ruis: Alle vormen van ruis die met de zender of ontvanger zelf te maken hebben, vb zender heeft hoofdpijn als jij je verhaal vertelt aan hem dan zou die het minder snel onthouden.
     
    Externe ruis: Alles wat je communicatie van buitenaf verstoord (Het gaat hier dus om achtergrondgeluiden, een krakende telefoonlijn, een druppende kraan)

    Slide 36 - Tekstslide

    Onverschillig luisteren:
    interesseert het je eigenlijk niet wat de ander te vertellen heeft. Je doet geen moeite je te verdiepen in de ander en toont geen betrokkenheid.
    Misschien denk je: gelukkig, zo luister ik nooit. De vraag is of dat echt zo is. Zet jij je telefoon uit als je in gesprek bent met een ander? Of ben jij een van de velen die zijn telefoon altijd bij zich heeft, altijd aan laat staan en zich toch wel heel gemakkelijk laat afleiden door binnenkomende tweets, appjes, mails, enzovoort. Er zijn verschillende vormen van onverschillig luisteren.
    Oordelend luisteren:
    Het is best moeilijk om niet te oordelen. Je ziet of hoort iets, en als vanzelf heb je daar een oordeel over. Je vindt iets mooi of lelijk, je vindt iemand saai of boeiend, aardig of onaardig, enzovoort. Bij het luisteren staat het oordelen je al snel in de weg. Zeker wanneer je je door dat oordeel laat leiden of altijd negatief oordeelt.
    Ik-gericht luisteren:
    Als je een ik-gerichte luisteraar bent, richt je je niet op de persoon met wie je in gesprek bent, maar richt je je aandacht op jezelf. Je stelt je eigen behoefte centraal en bent meer bezig met jezelf dan met de ander. We bespreken drie manieren van ik-gericht luisteren.

    Slide 37 - Tekstslide

    Ongeïnteresseerd luisteren
    Bij ongeïnteresseerd luisteren let je niet op, waardoor je hele stukken van het verhaal mist.
    Passief luisteren
    Wanneer je alleen naar iemands woorden luistert en helemaal niet let op de non-verbale communicatie, dan luister je passief. Je hoort alleen aan wat de ander zegt, maar je spant je niet in om de boodschap achter die woorden te begrijpen. Als passieve luisteraar zit je lui achterover in je stoel. Je let niet op en luistert met te weinig aandacht.
    Ongeduldig luisteren
    Wanneer je geen tijd hebt, is de kans groot dat jouw ongeduld doorwerkt in de manier waarop je luistert. Sommige mensen hebben echter altijd iets ongeduldigs over zich, ze zijn gehaast en gespannen. Je kunt je wel voorstellen dat ongeduldig luisteren de spreker niet aanmoedigt tot het vertellen van een persoonlijk verhaal.

    Slide 38 - Tekstslide

    Bevooroordeeld luisteren
    Wanneer je een vooropgezette mening hebt over de ander, dan kleurt dat hoe je naar de ander luistert. Je spreekt dan van bevooroordeeld luisteren: je hoort alleen wat je wilt horen of verwacht te horen. Over het algemeen ben je eerder bereid om naar iemand te luisteren die je sympathiek vindt, of die min of meer dezelfde achtergrond heeft als jij.
    Verdedigend luisteren
    Bij verdedigend luisteren luister je vanuit het idee dat de ander erop uit is om jou onderuit te halen. Je staat niet open voor de ander, integendeel. Bijna iedereen luistert weleens op deze manier; dat is heel menselijk. Maar er zijn ook mensen die iedere boodschap, hoe onschuldig ook, zien als aanval op zichzelf. Dan is het wel een probleem.

    Slide 39 - Tekstslide

    Egocentrisch luisteren Als je egocentrisch bent, is er in je denken en voelen geen ruimte voor anderen. Bij egocentrisch luisteren ga je voorbij aan verschillen in referentiekader, zoals verschillen in denkbeelden, gewoonten of waarden en normen. Bijvoorbeeld: als de ander iets moeilijk, lelijk of grappig vindt, kleur je dat in naar jouw opvattingen. Je gaat te veel van jezelf uit, en verplaatst je te weinig in de spreker.
    Autobiografisch luisteren
    Wanneer je het luisteren aangrijpt om je eigen verhaal kwijt te kunnen.
    Te selectief luisteren
    Als je te selectief luistert, luister je niet naar de hele boodschap, maar pik je er alleen bepaalde dingen uit.

    Slide 40 - Tekstslide

    Fase 1 Het meedelen van het slechte nieuws Fase 2 Het uiten van verdriet en zo mogelijk verminderen van frustratie Fase 3 Ondersteuning bieden bij probleem

    Slide 41 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies

    Zelfstandig werken 
    Denk bijvoorbeeld aan:
    • Thiemen meulenhoff opdrachten 
    • Leren voor de voorwaardelijke toets
    • Spelletjes over W1 van de docent
    • Voor een ander vak werken

    Slide 42 - Tekstslide

    Deze slide heeft geen instructies