Oefenexamen VMBO — Economie (GT)
Consumptie & geld — 10 vragen — ca. 20 punten
Oefenexamen VMBO — Economie (GT)
Consumptie & geld — 10 vragen — ca. 20 punten
Vraag 1 (2p)
In de economie speelt schaarste een centrale rol.
a) Leg uit wat schaarste in economische zin betekent. (1p)
b) Geef een voorbeeld van een keuzeprobleem dat door schaarste ontstaat. (1p)
Vraag 2 (2p)
Geld heeft verschillende functies in de economie.
a) Noem de drie functies van geld. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen chartaal geld en giraal geld. (1p)
Vraag 3 (2p)
Er zijn vier productiefactoren die inkomen opleveren.
a) Noem de vier productiefactoren en de bijbehorende beloning. (1p)
b) Leg uit wat het nationaal inkomen (of BBP) is. (1p)
Vraag 4 (2p)
Mensen hebben inkomen nodig om te kunnen consumeren.
a) Noem twee vormen van inkomen. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen bruto-inkomen en netto-inkomen. (1p)
Vraag 5 (2p)
Sparen en lenen zijn manieren om koopkracht te verplaatsen in de tijd.
a) Noem twee motieven om te sparen. (1p)
b) Leg uit waarom je bij lenen meer terugbetaalt dan je hebt geleend. (1p)
Vraag 6 (2p)
Consumenten maken keuzes bij het kopen van producten.
a) Noem twee factoren die het koopgedrag van consumenten beinvloeden. (1p)
b) Leg uit waarom jonge kopers een belangrijke doelgroep zijn voor bedrijven. (1p)
Vraag 7 (2p)
Bij consumeren spelen ook maatschappelijke overwegingen een rol.
a) Noem twee maatschappelijke gevolgen van consumeren. (1p)
b) Leg uit wat eerlijke handel (fair trade) inhoudt. (1p)
Vraag 8 (2p)
Een budget helpt bij het plannen van inkomsten en uitgaven.
a) Leg uit wat budgetteren inhoudt. (1p)
b) Noem twee typen uitgaven in een huishoudbudget. (1p)
Vraag 9 (2p)
De banken spelen een belangrijke rol in het betalingsverkeer.
a) Noem twee taken van een bank. (1p)
b) Leg uit het verschil tussen spaarrente en leenrente. (1p)
Vraag 10 (2p)
Direct ruilen is lastig. Geld lost dat op.
a) Leg uit waarom directe ruil (ruil zonder geld) lastig is. (1p)
b) Leg uit het verband tussen maatschappelijke arbeidsverdeling en geldgebruik. (1p)