Factoren die T en N beïnvloeden 1A1

Factoren die T en N beïnvloeden

1A

1 / 29
volgende
Slide 1: Slide
newEditorAardrijkskundeSecundair onderwijs

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Factoren die T en N beïnvloeden

1A

Wat gaan we herhalen in deze les

Factoren die T beïnvloeden:

  1. 'Ik kan uitleggen waarom de voet van de berg (beneden) sneller opwarmt dan de helling (schuine wand) van de berg.'

  2. 'Ik kan uitleggen waarom de zee vlak na de zomer, in de herfst, op haar warmst zal staan.' + Hoe dit een invloed heeft op de T in de winter.

  3. 'Ik kan uitleggen waarom de zee vlak na de winter op haar koudst zal staan'. + Hoe dit een invloed heeft op de T in de zomer.

Factoren die N beïnvloeden:

  1. Ik kan met eigen woorden vertellen hoe stuwinsregen ontstaat. (terugkoppelen naar hoogteligging)

Factoren die T beïnvloeden.

  1. Ligging ten opzichte van de evenaar

  2. Hoogteligging

  3. Ligging ten opzichte van de zee/oceaan

  4. Zeestromen

Factoren die T beïnvloeden.

  1. Ligging ten opzichte van de evenaar

  2. Hoogteligging

  3. Ligging ten opzichte van de zee/oceaan

  4. Zeestromen

Waarom warmt de voet van de berg sneller op dan de schuine wand?

A

De zonnestralen vallen schuin op de voet van de berg.

B

De zonnestralen vallen recht op de schuine wand.


C

De zonnestralen vallen recht op de voet van de berg.

De zonnestralen vallen altijd schuin beneden op de berg. Waar of niet waar?

A

Waar

B

Niet waar

Rechte inval = meer energie, schuine inval = energie verspreiden over een groter opp.

Factoren die T beïnvloeden.

  1. Ligging ten opzichte van de evenaar

  2. Hoogteligging

  3. Ligging ten opzichte van de zee/oceaan

  4. Zeestromen

Bekijk de weerkaart

Van welk seizoen zou je hier kunnen spreken?

A

Winter

B

Zomer

C

Herfst

D

Lente

Waar is het in de zomer het koudste

A

In het binnenland

B

Aan de kust

Ligging ten opzichte van de zee/oceaan

In de zomer = kouder aan de kust.

--> komen net uit de winter, zee is koud, nog niet opgewarmd.



In de zomer = warmer in het binnenland.

--> komen net uit de winter, zee is koud, nog een beetje opgewarmd.


Hoe komt het dat het op deze weerkaart WARMER is aan de zee. LEG UIT.

Factoren die N beïnvloeden.


  1. Ligging ten opzichte van de zee/oceaan

  2. Hoogteligging

  3. Stuwingsregen

Factoren die N beïnvloeden.


  1. Ligging ten opzichte van de zee/oceaan

  2. Hoogteligging

  3. Stuwingsregen

N kaart - Nederland

Waar valt de meeste neerslag?


A

Hoe dichter bij de zee

B

Hoe verder van de zee

Waarom valt er meer neerslag in kustgebieden dan in het binnenland?


A

Omdat het altijd regent aan de kust.

B

Omdat de warme Noordzee veel vocht verdampt dat later als regen valt.

C

Omdat het warmer is aan de kust.


Factoren die N beïnvloeden.


  1. Ligging ten opzichte van de zee/oceaan

  2. Hoogteligging

  3. Stuwingsregen

Vul in: Als je in een hoger gelegen gebied woont, krijg je (1)__________ neerslag, omdat de lucht daar __________ (2) en de hoogte de wolken zal tegenhouden.

Samenvatting

  1. Ligging ten opzichte van de zee: Kustgebieden ontvangen meer neerslag omdat de zee veel vocht verdampt dat later als regen valt.

  2. Hoogteligging: hogere gebieden krijgen meer neerslag omdat lucht opstijgt, afkoelt en het vocht in de lucht condenseert.


Factoren die N beïnvloeden.


  1. Ligging ten opzichte van de zee/oceaan

  2. Hoogteligging

  3. Stuwingsregen

Slide titel

Stuwingsregen = meestal bij aanwezigheid van zee + bergen

1m30 - 2m47

Wat is stuwingsregen?

A

Regen die ontstaat door de opwarming van de aarde.

B

Regen die ontstaat wanneer vochtige lucht tegen een berg opbotst, opstijgt en afkoelt.

C

Regen die ontstaat door condensatie in lage luchtlagen.

Wat gebeurt er met de lucht bij het ontstaan van stuwingsregen?

A

De lucht daalt, verwarmt op en zorgt voor droog weer.

B

De lucht blijft op dezelfde hoogte en zorgt voor mist.

C

De lucht stijgt op, koelt af en het vocht condenseert, waardoor regen ontstaat.

Ik ben nog niet helemaal mee?!

Tips:

  • Studeer de leerstof.

  • Bekijk video's over de verschillende factoren

(Youtube en/of classroom)

  • Stel vragen aan klasgenoten

  • Kom naar de stille studie op donderdagmiddag, 13U20, A0.05