Taal Compleet 5.2

Taal Compleet 5.2

Het Informatiebord

1 / 12
volgende
Slide 1: Slide
newEditorTaalISK

In deze les zitten 12 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Taal Compleet 5.2

Het Informatiebord

het programma


  • Betekenis: een plan of overzicht van wat er gaat gebeuren.

  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord

  • Meervoud: de programma’s

  • Voorbeeldzin: Het programma van de cursus is duidelijk.

oefenen

  • Betekenis: iets vaak doen om beter te worden.

  • Woordsoort: werkwoord

  • Vervoeging: oefenen – oefende – geoefend

  • Voorbeeldzin: Ik oefen elke dag Nederlands.

het examen

  • Betekenis: een toets om te kijken wat je weet of kunt.

  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord

  • Meervoud: de examens

  • Voorbeeldzin: Morgen heb ik een examen Engels.

prettig

  • Betekenis: fijn of aangenaam.

  • Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord

  • Voorbeeldzin: Ik werk in een prettige sfeer.

de discussie

  • Betekenis: een gesprek waarin mensen verschillende meningen hebben.

  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord

  • Meervoud: de discussies

  • Voorbeeldzin: In de klas hadden we een discussie over sociale media.

  1. de bibliotheek


  1. proeven


  1. het rooster


  1. het hek


  1. de hal

A

B

C

D

E

1=E

2=B

3=D

4=C

5=A

de politiek

  • Betekenis: alles wat met de regering en bestuur van een land te maken heeft.

  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord

  • Voorbeeldzin: Mijn vader praat graag over politiek.

bestaat (bestaan)

  • Betekenis: er zijn; echt zijn.

  • Woordsoort: werkwoord

  • Vervoeging: bestaan – bestond – bestaan

  • Voorbeeldzin: Deze school bestaat al honderd jaar.

het begin

  • Betekenis: het eerste deel van iets.

  • Woordsoort: zelfstandig naamwoord

  • Meervoud: de beginnen

  • Voorbeeldzin: Aan het begin van de les was iedereen stil.

mogelijk

  • Betekenis: iets kan gebeuren of kan gedaan worden.

  • Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord

  • Voorbeeldzin: Is het mogelijk om morgen te komen?

eigen

  • Betekenis: van jezelf.

  • Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord

  • Voorbeeldzin: Zij heeft haar eigen fiets.