Taal Compleet 5.2
Het Informatiebord
Taal Compleet 5.2
Het Informatiebord
het programma
Betekenis: een plan of overzicht van wat er gaat gebeuren.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de programma’s
Voorbeeldzin: Het programma van de cursus is duidelijk.
oefenen
Betekenis: iets vaak doen om beter te worden.
Woordsoort: werkwoord
Vervoeging: oefenen – oefende – geoefend
Voorbeeldzin: Ik oefen elke dag Nederlands.
het examen
Betekenis: een toets om te kijken wat je weet of kunt.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de examens
Voorbeeldzin: Morgen heb ik een examen Engels.
prettig
Betekenis: fijn of aangenaam.
Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord
Voorbeeldzin: Ik werk in een prettige sfeer.
de discussie
Betekenis: een gesprek waarin mensen verschillende meningen hebben.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de discussies
Voorbeeldzin: In de klas hadden we een discussie over sociale media.
de bibliotheek
proeven
het rooster
het hek
de hal
A
B
C
D
E
1=E
2=B
3=D
4=C
5=A
de politiek
Betekenis: alles wat met de regering en bestuur van een land te maken heeft.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Voorbeeldzin: Mijn vader praat graag over politiek.
bestaat (bestaan)
Betekenis: er zijn; echt zijn.
Woordsoort: werkwoord
Vervoeging: bestaan – bestond – bestaan
Voorbeeldzin: Deze school bestaat al honderd jaar.
het begin
Betekenis: het eerste deel van iets.
Woordsoort: zelfstandig naamwoord
Meervoud: de beginnen
Voorbeeldzin: Aan het begin van de les was iedereen stil.
mogelijk
Betekenis: iets kan gebeuren of kan gedaan worden.
Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord
Voorbeeldzin: Is het mogelijk om morgen te komen?
eigen
Betekenis: van jezelf.
Woordsoort: bijvoeglijk naamwoord
Voorbeeldzin: Zij heeft haar eigen fiets.