Week 1 H1-H8

In de economie wordt vaak het begrip schaarste gebruikt. Schaarste:
A
Is een gevolg van gebrekkig economisch handelen.
B
komt voort uit de oneindigheid van behoeften en de eindigheid van middelen.
C
betekent dat mensen hun basisbehoeften niet kunnen bevredigen.
D
duidt op het onvermogen van economen om de toekomst te voorspellen.
1 / 16
volgende
Slide 1: Quizvraag
BedrijfseconomieHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen.

Onderdelen in deze les

In de economie wordt vaak het begrip schaarste gebruikt. Schaarste:
A
Is een gevolg van gebrekkig economisch handelen.
B
komt voort uit de oneindigheid van behoeften en de eindigheid van middelen.
C
betekent dat mensen hun basisbehoeften niet kunnen bevredigen.
D
duidt op het onvermogen van economen om de toekomst te voorspellen.

Slide 1 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Met bedrijfsomgeving bedoelen we:
A
de verschijnselen buiten de onderneming die van invloed zijn op de resultaten.
B
inkopen, verkopen, marktontwikkeling, concurrentie en personeelsbeleid van een bedrijf.
C
de positie van een bedrijf op de buitenlandse markten.
D
de algemene economische situatie in een land.

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Men onderscheidt een directe, indirecte en ruime bedrijfsomgeving naargelang:
A
de onderneming meer of minder invloed kan uitoefenen.
B
er sprake is van markten die dichterbij, verder weg of wereldmarkten zijn.
C
er sprake is van kleine en grote markten.
D
de omgeving de onderneming beïnvloedt.

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een onderneming kan een element uit de ruime omgeving nauwelijks beïnvloeden
A
en de ruime omgeving heeft ook nauwelijks invloed op de onderneming.
B
en zij heeft daar ook geen enkel belang bij.
C
omdat de ruime omgeving buiten de invloedssfeer van welke overheid dan ook valt.
D
terwijl de onderneming daar wel sterk door beïnvloed kan worden.

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De publieke opinie behoort tot de indirecte omgeving omdat:
A
ondernemingen er enige invloed op kunnen uitoefenen.
B
de publieke opinie de onderneming kan maken en breken.
C
de publieke opinie geen invloed op de onderneming uitoefent.
D
de publieke opinie vooral invloed op de politiek uitoefent.

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De directe omgeving van een onderneming bestaat vooral uit:
A
de markten waarop zij actief is.
B
de gemeente waarin zij gevestigd is.
C
de werknemers en hun gezinnen.
D
de milieuvoorschriften van de overheid.

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies



De waarde van het bbp tegen marktprijzen is in procenten gestegen met:
A
2,25
B
3
C
0,75

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het bruto binnenlands product (bbp) is:

A
de productie van bedrijven en gezinnen in een land.
B
de totale productie in een land.
C
de welvaart per hoofd van de bevolking.
D
het inkomen dat gezinnen ontvangen.

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het bbp per hoofd van de bevolking:
A
is een maatstaf voor het welzijn in een land.
B
bestaat niet: het bbp wordt per land gemeten.
C
kan men meten met de human development index (HDI).
D
is een maatstaf voor de welvaart in een land.

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De HDI is een maatstaf voor het welzijn van de bevolking van een land. De HDI is gebaseerd op de volgende indicator(en):
A
het bbp per hoofd van de bevolking, de levensverwachting en de alfabetiseringsgraad.
B
het bbp per hoofd van de bevolking.
C
de gezondheid en verantwoordelijkheid in het werk.
D
de hoogte van het ontwikkelingsstadium van een land.

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ondernemingen zetten hun producten af op markten en ontvangen daarvoor de opbrengsten van de verkopen. Het verschil tussen de opbrengsten van de verkopen en de inkopen vormt:
A
de netto toegevoegde waarde tegen marktprijzen
B
de bruto toegevoegde waarde tegen marktprijzen.
C
de som van de winst van de onderneming en de indirecte belastingen.
D
de omzet verminderd met de belasting op de toegevoegde waarde.

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ondernemingen kunnen de netto toegevoegde waarde tegen factorkosten aanwenden voor:
A
het belonen van de eigenaren van de onderneming.
B
de afschrijvingen op versleten kapitaalgoederen.
C
loon, winst, rente en indirecte belastingen.
D
het belonen van de eigenaren van de productiefactoren.

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


A
10
B
40
C
45
D
55

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Men maakt onderscheid tussen de toegevoegde waarde tegen marktprijzen en factorkosten om aan te geven dat:
A
er een onderscheid bestaat tussen markten en productiefactoren.
B
de toegevoegde waarde niet geheel aan de productiefactoren ter beschikking gesteld kan worden, omdat een deel bestemd is voor indirecte belastingen.
C
een deel van de toegevoegde waarde aangewend moet worden voor investeringen.
D
de afschrijvingen uit de toegevoegde waarde gefinancierd moeten worden.

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bedrijven en overheid betalen gezinnen toegevoegde waarde omdat
gezinnen productiefactoren ter beschikking stelt. Deze beloning is:
A
inclusief de directe belastingen.
B
inclusief de indirecte belastingen.

Slide 15 - Quizvraag

U betaalt directe belastingen, zoals de belasting op uw inkomen en vermogen. Daarnaast betaalt u ook indirecte belastingen, zoals de motorrijtuigenbelasting en de accijnzen op alcohol en tabak.
De toegevoegde waarde van de overheidsproductie is gelijk aan:
A
de winst als restpost van de productie.
B
het financieringssaldo van de overheid.
C
de betaalde lonen en salarissen van het overheidspersoneel.
D
de totale overheidsuitgaven.

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies