Les 6 Quiz werkwoordspelling

Werkwoorden
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpellingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Werkwoorden

Slide 1 - Tekstslide

In welke zin is het werkwoord
FOUT gespeld.
A
De brandweer bestrijdt de brand zo goed mogelijk.
B
De radio zendt de hele dag nieuwsberichten uit
C
Hij vond zijn verloren horloge gelukkig weer terug.
D
Over de hele weg lagen de bladeren verspreidt.

Slide 2 - Quizvraag

In welke zin is het werkwoord
FOUT gespeld.
A
De dokter verbind de wond meteen.
B
Hij heeft veel geld aan dvd's besteed.
C
Marnix beantwoordde mijn brief.
D
Red jij de aangespoelde zeehondjes?

Slide 3 - Quizvraag

In welke zin is het werkwoord
FOUT gespeld.
A
Bekleedde Mozart een positie aan het hof?
B
De kweker plante een rij violen.
C
Onthoud je wel wat ik zeg?
D
Waarom moest jij de verrassing verpesten?

Slide 4 - Quizvraag

In welke zin zijn beide werkwoorden GOED gespeld?
A
Reisden jouw neefjes alleen of werden ze vergezeld?
B
Reisden jouw neefjes alleen of werden ze vergezelt?
C
Reizden jouw neefjes alleen of werden ze vergezeld?
D
Reizden jouw neefjes alleen of werden ze vergezelt?

Slide 5 - Quizvraag

In welke zin zijn beide werkwoorden GOED gespeld?
A
Omdat ons huis bijna instorte, zijn we snel verhuisd.
B
Omdat ons huis bijna instorte, zijn we snel verhuist.
C
Omdat ons huis bijna instortte, zijn we snel verhuisd.
D
Omdat ons huis bijna instortte, zijn we snel verhuist.

Slide 6 - Quizvraag

In welke zin zijn beide werkwoorden GOED gespeld?
A
We ontmoeten de schrijfster vorige week lezend in haar tuin.
B
We ontmoeten de schrijfster vorige week lezent in haar tuin.
C
We ontmoetten de schrijfster vorige week lezend in haar tuin.
D
We ontmoetten de schrijfster vorige week lezent in haar tuin.

Slide 7 - Quizvraag

In welke zin zijn beide werkwoorden GOED gespeld?
A
Gisteren verlootten de jongens de boeken die ze hadden verzameld.
B
Gisteren verlootten de jongens de boeken die ze hadden verzamelt.
C
Gisteren verloten de jongens de boeken die ze hadden verzameld.
D
Gisteren verloten de jongens de boeken die ze hadden verzamelt.

Slide 8 - Quizvraag

In welke zin zijn beide werkwoorden GOED gespeld?
A
Het nieuwtje verspreidde zich onder de bewoners die toegesneld waren.
B
Het nieuwtje verspreidde zich onder de bewoners die toegesnelt waren.
C
Het nieuwtje verspreide zich onder de bewoners die toegesneld waren.
D
Het nieuwtje verspreide zich onder de bewoners die toegesnelt waren.

Slide 9 - Quizvraag

In welke zin zijn beide werkwoorden GOED gespeld?
A
Jesse toverd een munt uit zijn mouw, terwijl hij ons afleid met zijn handen.
B
Jesse toverd een munt uit zijn mouw, terwijl hij ons afleidt met zijn handen.
C
Jesse tovert een munt uit zijn mouw, terwijl hij ons afleid met zijn handen.
D
Jesse tovert een munt uit zijn mouw, terwijl hij ons afleidt met zijn handen.

Slide 10 - Quizvraag

In welke zin zijn beide werkwoorden GOED gespeld?
A
Wachte hij op jou of reed hij alvast naar huis?
B
Wachte hij op jou of reedt hij alvast naar huis?
C
Wachtte hij op jou of reed hij alvast naar huis?
D
Wachtte hij op jou of reedt hij alvast naar huis?

Slide 11 - Quizvraag

In welke zin is het werkwoord GOED gespeld?
A
Hij besteedde zijn tijd zeer goed.
B
Hij bestede zijn tijd zeer goed.

Slide 12 - Quizvraag

In welke zin is het werkwoord GOED gespeld?
A
Hij gelooft zijn ogen niet.
B
Hij geloofd zijn ogen niet.

Slide 13 - Quizvraag

In welke zin is het werkwoord GOED gespeld?
A
Hij heeft dit belooft.
B
Hij heeft dit beloofd.

Slide 14 - Quizvraag