Belastingsquiz

Belastingquiz
Wat weet je over de belastingen? Test je kennis!
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Belastingquiz
Wat weet je over de belastingen? Test je kennis!

Slide 1 - Tekstslide

Wat betekent progressieve belasting?
A
Hoe ouder je bent, hoe meer je inkomen wordt belast
B
Hoe meer geld je verdient, hoe meer je inkomen wordt belast
C
Hoe rijker je bent, hoe meer je inkomen wordt belast

Slide 2 - Quizvraag

Hoe noemt men het voorschot op je belastingen dat afgehouden wordt van je loon?
A
De bedrijfsvoorheffing
B
Het persoonlijke voorschot
C
De loonbijdrage

Slide 3 - Quizvraag

De belastingaangifte wordt altijd gedaan:
A
Het jaar waarin de inkomsten worden ontvangen
B
Het jaar volgend op het jaar waarin de inkomsten zijn ontvangen
C
Het jaar vóór het jaar waarin de inkomsten zullen worden ontvangen

Slide 4 - Quizvraag

Wat is een vereenvoudigde aangifte?
A
Een eenvoudig aangifte-formulier voor jongeren tussen 18 en 25 jaar
B
Een aangifteformulier met vooraf ingevulde rubrieken
C
Een aangifteformulier voor dummies
D
Een aangifteformulier voor mensen zonder beroepsinkomsten

Slide 5 - Quizvraag

Wat gebeurt er als je je belastingaangifte niet op tijd indient? Je riskeert...
A
Een boete
B
Een belastingverhoging (tot 200%)
C
Een boete en een belastingverhoging

Slide 6 - Quizvraag

Met welk element wordt geen rekening gehouden bij de berekening van je jaarlijkse personenbelasting?
A
Je leeftijd
B
Je woonplaats
C
Je gezinssituatie (alleenstaand, getrouwd ...)
D
Je loon

Slide 7 - Quizvraag

Juist of fout? Zolang je minderjarig bent, moet je geen personenbelasting betalen.
A
Juist
B
Fout, je moet elk jaar een vast bedrag betalen naargelang je leeftijd
C
Fout, je moet sowieso de helft van je inkomsten betalen
D
Fout, als je inkomsten boven een bepaald bedrag liggen, moet je hierop belasting betalen

Slide 8 - Quizvraag

Milan verdient 2348,56 euro na aftrek van de persoonlijke socialezekerheidsbijdragen. Hiervan gaat 28 % bedrijfsvoorheffing af. Hoeveel houdt hij over na aftrek van de bedrijfsvoorheffing?
A
1690,96 euro
B
1829,32 euro
C
2178,46 euro

Slide 9 - Quizvraag

Waarvoor worden de inkomsten van de belastingen NIET gebruikt?

A
De aanleg van nieuwe wegen
B
Subsidies voor jeugdverenigingen
C
Loon van politieagenten
D
De bouw van supermarkten

Slide 10 - Quizvraag

Ava is vorig jaar afgestudeerd en is beginnen werken in november. In totaal heeft ze dat jaar 4136,85 euro verdiend (na aftrek van haar socialezekerheidsbijdragen). Hoeveel belasting zal ze dit jaar moeten betalen?
A
Geen, want ze woont nog bij haar ouders
B
Geen, want haar inkomen ligt onder het belastingvrije bedrag
C
Geen, want ze heeft al bedrijfsvoorheffing betaald
D
Geen, want ze is nog geen volledig jaar aan het werk

Slide 11 - Quizvraag

Hoeveel vragen had je juist?

Slide 12 - Open vraag

Wat is de personenbelasting?

Elke persoon die in België woont en er een inkomen heeft, ook al is dat inkomen onregelmatig, moet personenbelasting betalen.


Slide 13 - Tekstslide

Voor wie?
We spreken dus van personenbelasting en van inkomstenbelasting. 
De belasting gebeurt per persoon. 

In een gezin worden man en vrouw afzonderlijk belast. De inkomsten worden niet samengeteld of gecumuleerd, want dat zou nadeliger zijn. Toch vullen gehuwden slechts één aangifteformulier in, elk één kolom. 

Samenwonenden vullen elk hun eigen aangifte in. 

Ongehuwde vrouwen vullen de linkerkolom in. 
Ook voor een overleden persoon vullen we nog een laatste maal een aangifteformulier in, het jaar na overlijden.

Slide 14 - Tekstslide

Wanneer moet je die indienen?

Slide 15 - Tekstslide

Welke belastingen ken je?

Slide 16 - Woordweb

 A. Inkomstenbelasting

B. BTW


C. Registratierechten


D. Nalatenschap/erfenisrechten



E. Schenking 


A. Belastingen die een persoon betaalt op zijn/haar inkomen.
B. Belastingbedrag dat een leverancier berekent op zijn product of dienst en dit aan de staat afdraagt.
C. De belasting die de staat heft bij de inschrijving (registratie) van een akte of geschrift in een register.
D. Na een overlijden wordt een belasting geheven op de zaken die een persoon achterlaat voor zijn/haar erfgenamen. Dit worden ook successierechten genoemd. 
E. Belasting die u moet betalen op zaken die u aan uw erfgenamen geeft voor je overlijden. 


Slide 17 - Tekstslide

Welke belasting is van toepassing op de volgende casussen?

Slide 18 - Tekstslide

Casus 1: Kaat en Wim wonen al een tijdje samen en dromen van een eigen huis. De ouders van Kaat hebben een bouwgrond en schenken deze aan het koppel.
A
inkomstenbelasting
B
erfenisrechten
C
schenking
D
registratierechten

Slide 19 - Quizvraag

Casus 2: Sem koopt een pakje koekjes bij de GB Express.

A
inkomstenbelasting
B
BTW
C
schenking
D
registratierechten

Slide 20 - Quizvraag

Casus 3: Mizan en Kalid kopen samen een huis.

A
erfenisrechten
B
BTW
C
schenking
D
registratierechten

Slide 21 - Quizvraag

Casus 4: Opa Erik sterft.

A
erfenisrechten
B
BTW
C
schenking
D
registratierechten

Slide 22 - Quizvraag

Casus 5: Manu werkt sinds 1 september bij NV De Kampioenen. Hij ontvangt op het einde van de maand zijn eerste loon. Hij heeft minder ontvangen dan er in zijn contract stond.
A
inkomensbelasting
B
BTW
C
schenking
D
registratierechten

Slide 23 - Quizvraag

Slide 24 - Tekstslide

Schrik dus niet als je je eerste officiële loon ontvangt....

Slide 25 - Tekstslide

Wie kan je hierbij helpen?

Slide 26 - Woordweb

Organisaties die helpen
- mutualiteit
- gemeente
- belastingsdienst zelf
- OCMW
- vakbond
- bank
- boekhouder (betalend)

Slide 27 - Tekstslide