NT2 GRAMMATICA Bezittelijk voornaamwoord

Bezittelijk voornaamwoord
Bezit = van wie is het?           van mij
                                                         van jou
                                                         van hem
                                                         van haar 
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2MBOStudiejaar 1

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Bezittelijk voornaamwoord
Bezit = van wie is het?           van mij
                                                         van jou
                                                         van hem
                                                         van haar 

Slide 1 - Tekstslide

Bezittelijke voornaamwoorden
ik
jij
hij
zij
u
wij
jullie
zij
van mij
van jou
van hem
van haar
van u
van ons
van jullie
van hen
mijn
jouw/je
zijn
haar
uw
ons/onze
jullie
hun

Slide 2 - Tekstslide

Waar schrijf je het bezittelijke voornaamwoord?
  •  voor  het zelfstandig naamwoord:   

  • Dat is mijn auto
  • Het is jouw huis
  • Het is jullie eten

Slide 3 - Tekstslide

Bezittelijk voornaamwoord

Is dit jouw pen?                                     Ja, dit is ........
Is dit mijn koffie?                                  Nee, dit is niet ...........
Is dit haar boek?
Is dit zijn tas?

Slide 4 - Tekstslide

Het bezittelijk voornaamwoord
Ik- mijn
Je - jouw/je
Hij -zijn
Zij - haar
U- uw
Jullie- jullie
Wij- ons/onze (je gebruikte onze voor de-woorden (onze auto)
Zij - hun

Slide 5 - Tekstslide

mijn
je/ jouw
zijn
haar
ons / onze 
jullie
hun
uw

Slide 6 - Tekstslide

ons / onze?
Onze bij de-woorden: de auto - onze auto
ons bij het-woorden: het huis - ons huis

Slide 7 - Tekstslide

Het zijn ....... paspoorten
A
ons
B
onze

Slide 8 - Quizvraag

Het zijn ........ fietsen
A
ons
B
onze

Slide 9 - Quizvraag

Het is ........ huis
A
ons
B
onze

Slide 10 - Quizvraag

Het is .......formulier
A
ons
B
onze

Slide 11 - Quizvraag

zijn / haar?

Slide 12 - Tekstslide

De jongen vergeet ....... boek op school.
A
haar
B
zijn

Slide 13 - Quizvraag

Zij wil ....... huiswerk maken.
A
haar
B
zijn

Slide 14 - Quizvraag

Ze heeft een fiets. Het is .... fiets.
A
haar
B
zijn

Slide 15 - Quizvraag

mijn / jouw?

Slide 16 - Tekstslide

Ik lees dit boek. Het is .... boek.
A
mijn
B
jouw

Slide 17 - Quizvraag

Waar woon jij? Wat is .... adres?
A
mijn
B
jouw

Slide 18 - Quizvraag

Furtuna heeft een telefoon. Het is ............... telefoon.
A
jouw
B
mijn
C
zijn
D
haar

Slide 19 - Quizvraag

De mannen hebben een auto. Het is ............... auto.
A
hun
B
zij
C
zijn
D
jullie

Slide 20 - Quizvraag

Aisha heeft een jas. Het is ............. jas.
A
zijn
B
zij
C
haar
D
uw

Slide 21 - Quizvraag

Wij hebben een toets. Het is ............. toets.

Slide 22 - Open vraag

Jullie hebben veel geld. Het is .............. geld.

Slide 23 - Open vraag

Jij hebt een nieuwe broek. Het is .............. broek.

Slide 24 - Open vraag

Birdzhan heeft een boek. Het is ................ boek.

Slide 25 - Open vraag

Ik heb een appel. Het is ........... appel.

Slide 26 - Open vraag

De leerlingen hebben een beker. Het is .................. beker.

Slide 27 - Open vraag

U heeft een mooie auto. Het is ............ auto.

Slide 28 - Open vraag

Mays heeft een pen. Het is ...............pen.

Slide 29 - Open vraag