Grammatica zinsdelen H2 les 2 + H3 ng/wg

Lezen in je leesboek
timer
10:00
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Lezen in je leesboek
timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Planning
  • bespreken jullie antwoorden van vorige week 
  • nakijken huiswerk
  • H3 grammatica zinsdelen verschil nwg/wwg

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoel
Ik kan/weet:
  • het naamwoordelijk gezegde in een zin herkennen.

Slide 3 - Tekstslide

Opdracht (vorige week)
Jullie hebben vorige week 10 zinnen gemaakt, die elk uit 2 woorden bestaan.
- 5 tweewoordzinnen die "iets doen" en 
- 5 tweewoordzinnen die "iets zijn". 
(niet de zinnen die al geweest zijn)

We bespreken nu jullie antwoorden.

Slide 4 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde (ng)
Een naamwoordelijk gezegde (ng) zegt dat iemand of iets is of wordt.

Het naamwoordelijk deel geeft een eigenschap aan van het onderwerp van de zin. 

Slide 5 - Tekstslide

Matthijs / wordt / later / zeer waarschijnlijk / wiskundeleraar.
ng = wordt [wiskundeleraar]
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een werkwoordelijk deel en een naamwoordelijk deel.

Het werkwoordelijk deel (ww.deel) bevat alle werkwoorden uit de zin. Een van die werkwoorden is een koppelwerkwoord (kww): zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen.

Het naamwoordelijk deel (nw.deel) bevat een bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord dat een eigenschap (wiskundeleraar) van het onderwerp (Matthias) geeft. Het koppelwerkwoord (wordt) koppelt de eigenschap aan het onderwerp.


Slide 6 - Tekstslide

Hoe vind je het naamwoordelijk gezegde?
- Is /wordt het onderwerp iets?
- Is er een koppelwerkwoord in de zin?
- Als het onderwerp iets is/wordt, stel de vraag: Wat + pv + ond + overige ww?
Zijn
Worden
Blijven
Blijken
Lijken
Schijnen

Slide 7 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde =
pv + nw.deel + overige werkwoorden

Slide 8 - Tekstslide

In zinnen met een naamwoordelijk gezegde zit nooit een lijdend voorwerp!

Slide 9 - Tekstslide

Wat is het verschil tussen ng en wg?
  • Een naamwoordelijk gezegde (ng) zegt wat iemand is (of wordt, blijft, lijkt).
  • Een werkwoordelijk gezegde (wg) zegt wat iemand (of iets) dóét.

Slide 10 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde
Wat is het naamwoordelijk gezegde in de volgende zin? Benoem de delen en schrijf op in je schrift.

De docent is ziek.

Slide 11 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde
Wat is het naamwoordelijk gezegde in de volgende zin? Benoem de delen.

De docent is ziek.

  • is ziek = naamwoordelijk gezegde
  • is = werkwoordelijk deel
  • ziek = naamwoordelijk deel

Slide 12 - Tekstslide

Nakijken huiswerk
H2 opdr. 1 t/m 3 

Kijk goed wat er goed ging en wat niet. 

timer
7:00

Slide 13 - Tekstslide

Huiswerk
Af: vrij 27-01
H3 grammatica zinsdelen
m. opdr. 1 t/m 3

Slide 14 - Tekstslide

Welke vragen heb je nog?

Slide 15 - Open vraag

Wat hebben we deze les gedaan?

Slide 16 - Open vraag

Wat heb je deze les geleerd?

Slide 17 - Open vraag

Ik kan het naamwoordelijk gezegde in een zin herkennen.
0 = echt (nog) niet / 10 = absoluut wel
010

Slide 18 - Poll

Hoe vind je zelf dat je gewerkt hebt?
😒🙁😐🙂😃

Slide 19 - Poll