Telefoneren in het Duits: Bijvoeglijke Naamwoorden en Modale Werkwoorden

Das Telefongespräch


1 / 18
volgende
Slide 1: Slide
newEditorDuitsMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Das Telefongespräch


Leerdoelen

Aan het einde van de les kun je bijvoeglijke naamwoorden in de eerste en vierde naamval gebruiken en begrijp je de basis van modale werkwoorden.


Aan het einde van de les kun je een telefoongesprek in het Duits schriftelijk voorbereiden.


Aan het einde van de les kun je de belangrijkste informatie uit een kort Duits telefoongesprek halen.


Aan het einde van de les kun je een simpel en kort telefoongesprek in het Duits voeren.

Zuerst eine kurze wiederholung:

Vul in het onderstaande schema de juiste uitgangen in van het bezittelijk voornaamwoord:



Kontrolle

Ich habe (haar) Tasche gesehen.

A

Dein Tasche

B

Seine Tasche

C

Ihre Tasche

D

Mein Tasche

Gib mir bitte (mijn) Stift(m).

A

Dein Stift

B

Ihr Stift

C

Meinen Stift

D

Sein Stift

Neu: Modalverben

:1: Modale hulpwerkwoorden (modalverben) zijn hulpwerkwoorden die extra betekenis aan het hoofdwerkwoord toevoegen. Voorbeelden van modale hulpwerkwoorden in het Nederlands zijn zullen, kunnen, mogen, moeten, wille


2: Als je bijvoorbeeld zegt: 'Petra kan zwemmen', zeg je eigenlijk dat Petra in staat is om te zwemmen (ze verdrinkt niet in water). Dat heeft natuurlijk een hele andere betekenis dan 'Petra zwemt', een zin zonder modaal hulpwerkwoord.

Neu: Modalverben

Müssen & sollen

Het verschil ligt in de modaliteit!


Ich muss ins Krankenhaus.
Je wil iets zelf, je ziet er ook de noodzaak van in.


Ich soll ins Krankenhaus.
Je krijgt een opdracht of een dringend advies van iemand anders.

Übung

Kunnen ________ Sie ihren Namen buchstabieren?


Weten ________ du die Liefernummer?


Mogen ________ ich Sie um kurze Rückmeldung bitten?


Moeten Du ________ mich unbedingt helfen.

Correcties en Feedback

Können Sie


Weißt


Darf


Musst


Was ist ein Beispiel für ein Modalverb?

A

müssen

B

laufen

C

können

D

essen

Wie wird 'dürfen' konjugiert?

A

du darf

B

ich darf

C

du darfst

D

ich darfst

Was drückt 'sollen' aus?

A

Een wens

B

Iets dat jou wordt aangeraden

C

Iets dat je echt moet doen

D

Een toeval

Das Telefongespräch

Begrüßung


Name & Firma


Genau zuhören


Antworten


Verabschieden

Das Gespräch - Zet de Nederlandse zinnen om naar het Duits

A: Neem de telefoon op. Noem je naam en het bedrijf waar je voor werkt.

B: Begroet en noem jouw naam en het bedrijf waar je voor werkt.

A: Vraag waarmee je kunt helpen, vraag nogmaals naar de naam.

B: Geef jouw naam en vraag naar Mevrouw Mahlstedt.

A: Zeg dat ze niet aanwezig is.

B: Zeg dat je graag de afspraak van morgen om 11 uur wil annuleren.

A: Herhaal wat B heeft gezegd. Vraag het telefoonnummer van B.

B: Bevestig en geef jouw telefoonnummer.

A: Herhaal het nummer en geef aan dat je het doorgeeft.

B: Bedank en neem afscheid.

A: Neem afscheid.

Das Gespräch - Aussprache

Unbekannte Wörter?


Rolle A und Rolle B ausführen.

Das Gespräch - Teil II

Schreibe jetzt ein eigenes Gespräch. Benutze dabei in jedem Satz mindestens ein Modalverb und ein Possesivpronom.


Beispiel:
Darf ich bitte deine Handynummer notieren?


Das Thema darfst du frei wählen, du darfst dazu AI benutzen.


Voraussetzungen:
Rolle A & Rolle B

Mindestens sechs Sätze pro Rolle

Modalverben rot markieren, Possesivpronomen blau markieren.