Week 2 periode 2 voorzetsels

¡Bienvenidos!
Hoy es 23 de noviembre de 2021
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

¡Bienvenidos!
Hoy es 23 de noviembre de 2021

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Los objetivos de esta clase

  • 1) Jullie gaan aandacht besteden aan de voorzetsels 

  • 2) Jullie gaan oefenen met de voorzetsels:
 Jullie maken de voorzetsels oefeningen  uit het roze boekje maken blz 82 & 83

  • 3) Jullie gaan werken aan je woordenschat: QUIZLET CAPÍTULO 6 (6.1 t/m 6.3) te vinden in classroom.

De doelen voor deze les

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

El programa de hoy

(Het programma van vandaag)

1) Voorzetsels (10-15 min)
  • uitleg
  • quiz
  • maken voorzetseloefeningen in het groene boekje blz  82 & 83 

2) Woordenschat oefenen dmv de Quizlets:

Cápitulo 6 PA 6 (6.1 t/m 6.3) te vinden in classroom.


Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

VOORZETSELS
Spaans 
Nederlands
naar 
De 
uit/ van/ met 
En 
in (plaats, tijd)/met de (vervoer)
Por
door/per/via/over
Para
voor iets of iemand

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorzetsels (a, de, en , por, para, con)

A = naar
  • Vamos a España = We gaan naar Spanje 
  • Vamos al colegio = We gaan naar school (A + EL = AL)

DE = uit/van/met
  • Soy de Inglaterra = Ik kom uit Engeland
  • El vestido de Maria = De jurk van Maria
  • Una pizza de queso = Een pizza met kaas
  • El problema del alumno = Het probleem van de leerling (DE + EL = DEL)


Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorzetsels (a, de, en , por, para, con)

EN = in/met de (vervoer)
  • Estamos en Francia = We zijn in Frankrijk
  • En abril es el cumpleaños de mi hija = In april is mijn dochter jarig
  • Voy en avión = Ik ga met het vliegtuig

CON = met
  • Estoy con mis amigos = Ik ben met mijn vrienden
  • Un cafe con azucar = Een koffie met suiker



Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorzetsels (a, de, en , por, para, con)

POR = door/per/bij dagdelen
  • Viajamos por las montañas = We reizen door de bergen
  • Por las noches saco a pasear al perro = 's Avonds laat ik de hond uit

PARA = voor
  • Esta comida es para Paco = Dit eten is voor Paco
  • ¿Para quién es este regalo? = Voor wie is dit cadeau? 

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

regels
Samenvoegingen: (voorzetsel a + lidwoord el)  a+el = al
Voy a el colegio - Voy al colegio
Ik ga naar school 

Samenvoegingen: (voorzetsel de + lidwoord el) de+el = del
La página 20 de el libro - la página 20 del libro

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorzetsel moet in deze zin komen?

'El lunes voy ___ hospital ___ autobús ___ mi hermano.'
A
a, con, para
B
de, en, de
C
al, en, de
D
al, en, con

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorzetsel moet in deze zin komen?

'___ las noches trabajo ___ un restaurante.'
A
Para, en
B
A, de
C
Por, a
D
Por, en

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorzetsel moet in deze zin komen?

'Soy ___ Amsterdam, pero vivo ___ Utrecht ___ mi novio.'
A
a, en, para
B
de, en, con
C
en, de, con
D
por, a, con

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorzetsel moet in deze zin komen?

'Voy a viajar ___ Europa ___ conocer más del mundo.'
A
por, a
B
de, para
C
de, a
D
por, para

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

QUIZLET CAPÍTULO 6 (6.1 t/m 6.3)
Maak de volgende quizlets:


Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling: aanwijzende voornaamwoorden
Aquí = hier, bij mij (deze, dit) / Ahí = daar, bij jou (die, dat) / Allí = daarginds, in de verte (die, dat)

  1. Aquí hay un libro. ¿Cómo se llama ___ libro?
  2. Allí hay un árbol. ¿Qué tan grande es ___ árbol?
  3. Ahí hay un papel. ¿Quieres usar ___ papel? 
  4. Allí hay una casa. ¿Te gusta ___ casa?
  5. Ahí hay unos pantalones. ¿Cuánto cuestan ___ pantalones? 
  6. Aquí hay una pluma. ¿Es ___ pluma tuya? 
  7. ___ está muy rico. 
  8. Ahí caminan unas niñas. ¿Cómo se llaman ___ niñas?
  9. ___ (Esta/ésta) silla es muy cómoda, pero ___ (esta/ésta) es más moderna. 
  10. Quiero otro calcetín, ___ (este/ésto/éste) está roto. 

timer
10:00

Slide 15 - Tekstslide

Zelfstandig gebruik van het aanwijzend voornaamwoord: 
  • slaat het niet op een zelfstandig naamwoord? esto/eso/aquello
  • slaat het wél op een zelfstandig naamwoord? dan komt er een accent
Herhaling: aanwijzende voornaamwoorden


  1. Aquí hay un libro. ¿Cómo se llama ESTE libro?
  2. Allí hay un árbol. ¿Qué tan grande es AQUEL árbol?
  3. Ahí hay un papel. ¿Quieres usar ESE papel? 
  4. Allí hay una casa. ¿Te gusta AQUELLA casa?
  5. Ahí hay unos pantalones. ¿Cuánto cuestan ESOS pantalones? 
  6. Aquí hay una pluma. ¿Es ESTA pluma tuya? 
  7. ESTO está muy rico. 
  8. Ahí caminan unas niñas. ¿Cómo se llaman ESAS niñas?
  9. ESTA silla es muy cómoda, pero ÉSTA es más moderna. 
  10. Quiero otro calcetín, ÉSTE está roto. 

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Nieuw: verbos irregulares
Er zijn onregelmatige werkwoorden:
  1. - die geheel afwijken (zoals SER, IR)
  2. - die klinkerwisselingen in de stam hebben (zoals QUERER)
  3. - waar alleen de 1e persoon afwijkt. (zoals ESTAR)
  4. - waar de eerste persoon afwijkt én die een klinkerwisseling hebben. (zoals TENER)

Onregelmatige werkwoorden

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden met klinkerwisseling in de stam 
(blz. 49/53 uit EB)
Hay 4 grupos:
1.  cerrar (e >ie)
2. poder ( o>ue)
3. jugar (u_ue)
4. pedir (e>i)
1. cerrar
2. poder
3. jugar
4. pedir
yo cierro
yo puedo
yo juego
yo pido
tu cierras
tu puedes
tu juegas
tu pides
el/ella cierra
el/ella puede
el/ella juega
el/ella pide
nosotros cerramos
nosotros podemos
nosotros jugamos
nosotros pedimos
vosotros cerráis
vosotros podéis
vosotros jugáis 
vosotros pedís
ellos/ellas cierran
ellos/ellas pueden
ellos/ellas juegan
ellos/ellas piden

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Unos ejemplos
1. cerrar (e >ie) : sentir, empezar, perder ,querer y tener
= voelen, beginnen, verliezen, willen, hebben
2. poder (o>ue): encontrar, costar, dormir y volver
= kunnen, ontmoeten /tegenkomen, kosten, slapen, terugkeren
3. jugar (u>ue): - = spelen
4.pedir (e>i): servir, vestir, repetir y seguir
= vragen/ bestellen, serveren, aankleden, herhalen, volgen

Slide 19 - Tekstslide

Wederkerende onregelmatige werkwoorden met klinkerwisseling (zich + ww): sentirse, perderse, sentirse, vestirse etc.

Vb. 
yo me siento
tu te sientes
ella se siente
nosotros nos sentimos
vosotros os sentís
ellos/ellas se sienten

1 Yo (pensar) mucho en ti.
2 Ella (comenzar) su clase a las ocho y veinte.
3 ¿Vosotros (entender) esta tarea?
4 Tú siempre (perder) ese libro.
5 Nosotros (venir) de Uithoorn y ellas ( volver) de Ámsterdam.
6 Yo no (conocer) a ese tío; yo (preferir) trabajar solo.
7 Ya yo (saber); yo (volver) más tarde porque ella (dormir) ahora.
VERVOEG HET ONREGELMATIGE WERKWOORD TUSSEN DE HAAKJES

Slide 20 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Herhalen, herhalen, herhalen (PW 5):
kloktijden

Slide 21 - Tekstslide

Zijn er onderdelen die nog onduidelijk zijn, of nog een keer zouden willen herhalen?
Vertaal de volgende kloktijden: ( schrijf getal , spatie, dan je antwoord)
1. hoe laat is het?
2. het is kwart over 1
3. het is half negen
4 het is tien voor vijf
5 het is tien voor half zes
6 het is tien over half één

Slide 22 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

LEREN:

Los deberes para la próxima clase

(het huiswerk voor de volgende les...)

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies