cross

Examen IM ELOG

Examen IM ELOG
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
BedrijfseconomieHBOStudiejaar 2

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Examen IM ELOG

Slide 1 - Tekstslide

Welke 3 basisparameters worden er gebruikt om een vraagprofiel te omschrijven?

I type statische verdeling
II gemiddelde vraag
II maximale vraag recentste periode
IV standaardafwijking
A
I, III, IV
B
II, III, IV
C
I, II, IV
D
I, II, III

Slide 2 - Quizvraag

Voor een onafhankelijk vraagitem bedraagt de vaste bestelhoeveelheid 1000 stuks. Het verbruik gedurende de levertijd bedraagt 50 stuks. Het bestelniveau bedraagt 100 stuks. De standaardafwijking gedurende de levertijd neemt toe met 20%. Wat gebeurt er met het bestelniveau?
A
Neemt toe met 20%
B
Neemt af met 20%
C
Neemt toe met 10%
D
Neemt af met 10%

Slide 3 - Quizvraag

Vermindering van de voorraad Onderhanden werk in een op Kanban gebaseerde JIT omgeving wordt bereikt door:
A
Het aantal Kanbankaarten die in omloop zijn te reduceren
B
De insteltijd van productiemiddelen te verlagen
C
De seriegrootte te verhogen
D
Het aantal werknemers te verminderen

Slide 4 - Quizvraag

Welke uitspraak is juist?
A
"Planned order receipts" geven aan wanneer de order nodig is.
B
Als een order wordt vrijgegeven wordt het een geplande order.
C
Een "scheduled receipt" geeft aan wanneer goederen in de voorraad zijn gekomen.
D
"Multi-level pegging" is alleen beschikbaar in MRP II

Slide 5 - Quizvraag

Hoe kan voorraad geclassificeerd worden?
A
Door beoordeling van de magazijnkosten
B
Door een ABC-analyse
C
Door de kosten te berekenen van de bovenmatige voorraad
D
Door een analyse van de productie

Slide 6 - Quizvraag

De vraagvoorspelling voor de huidige periode bedroeg 100 stuks. De werkelijke vraag in de huidige periode bedraagt 80 stuks. Wat is de voorspelling voor de volgende periode als we de methode van exponentiele effening gebruiken bij een a = 0,4
A
88
B
140
C
60
D
92

Slide 7 - Quizvraag

Welke van de volgende combinaties is juist?
A
De vraag naar een eindproduct is een onafhankelijk vraag. De vraag naar componenten voor een eindproduct is een onafhankelijke vraag.
B
De vraag naar een eindproduct is een seizoensgebonden vraag. De vraag naar componenten voor een eindproduct is een relevantie vraag.
C
De vraag naar een eindproduct is een push vraag. De vraag naar componenten voor een eindproduct is een pull vraag.
D
De vraag naar een eindproduct is een onafhankelijke vraag. De vraag naar componenten voor een eindproduct is een afhankelijke vraag.

Slide 8 - Quizvraag

Welke acties moet u nemen als de herbevoorradingstijd toeneemt?
A
een leveranciersbeoordeling overwegen
B
minder voorraad aanhouden
C
de productietijdgevoeligheid meten
D
meer voorraad aanhouden

Slide 9 - Quizvraag

Vraagvervulling is de hoofdprestatie-indicator van wat?
A
Positieve terugkoppeling als uitkomst van een klantenenquête.
B
Beschikbaarheid van voorraaddelen die niet langer geleverd kunnen worden door een bepaalde leverancier
C
Het percentage beschikbaarheid van nieuwe en onvoorspelbare voorraaddelen
D
De beschikbaarheid van voorraad toen die door de klant nodig was.

Slide 10 - Quizvraag

Een toename in het aantal voorraadlocaties van 4 naar 9 magazijnen zal bij het handhaven van hetzelfde aanvulsysteem en serviceniveau leiden tot:
A
Een afname van de veiligheidsvoorraad met 50%
B
Een afname van de veiligheidsvoorraad met 33,3%
C
Een toename van de veiligheidsvoorraad met 50%
D
Een toename van de veiligheidsvoorraad met 33,3%

Slide 11 - Quizvraag

Met welke elementen naast het jaarverbruik dient men rekening te houden bij de berekening van de economisch optimale bestelhoeveelheid?

I De bestelkosten en de kosten voor het aanhouden van voorraden
II De bestelkosten, de inkoopprijs en de kosten van het aanhouden van de voorraden
III De bestelkosten, de bestelfrequentie, de inkoopprijs en de kosten van het aanhouden van voorraden
A
Alleen I
B
Alleen II
C
I en III
D
II en III

Slide 12 - Quizvraag

De aanwezige voorraad bestaat voor 50% uit veiligheidsvoorraad en voor 50% uit seriegroottevoorraad. Men overweegt om de fabriek naar China te verplaatsen waardoor de levertijd met een factor 4 verlengd wordt. Welke gevolgen heeft dit voor de voorraad?
A
De voorraad neemt af met 50%
B
De voorraad neemt af met 33%
C
De voorraad blijft onveranderd
D
De voorraad neemt toe met 50%

Slide 13 - Quizvraag

Wat is waar?
A
Voorraad en productie kunnen los van elkaar beheerst worden
B
Voorraad is meestal niet belangrijk op de balans
C
80% van de voorraad vertegenwoordigt 20% van de voorraadwaarde
D
Een maximale service is in strijd met minimale voorraadinvestering

Slide 14 - Quizvraag

Wat meet men met voorraadaccuratesse gegevens?
A
% ontvangen afkeurproducten
B
% aflevering zonder fouten
C
% gerapporteerde fouten
D
% stock outs

Slide 15 - Quizvraag

Wat laat MPS zien m.b.t. de planning van opslagmiddelen?
A
De benodigde middelen voor een gegeven output
B
Hoeveelheid verkochte producten in een bepaalde periode
C
Hoeveelheid materialen die nodig zijn voor een bepaalde periode
D
Totale hoeveelheid goederen die geproduceerd gaan worden

Slide 16 - Quizvraag

Een invloed van een niet-productieve voorraad zou kunnen zijn:
A
Verbeterde service
B
Additionele opslag en handelingskosten
C
afname in teruggestuurde goederen
D
Minder overtollige voorraaditems

Slide 17 - Quizvraag

Voorspellen is een belangrijk proces voor het plannen van de voorraad voor een promotieactie. Wat is waar?

I Tijdserie analyse is een gepaste methode
II De voorspelling moet door de afdeling Marketing & Sales worden gemaakt.
A
Alleen I
B
Alleen II
C
I en II
D
Geen van beide

Slide 18 - Quizvraag

Op welke klasse goederen komen ingedrukte materiaalcodes meer en meer voor met het oog op hergebruik?
A
Verpakkingsmaterialen
B
Kwaliteitsgoederen
C
Voedselingrediënten
D
Componenten voor samengestelde producten

Slide 19 - Quizvraag

Er is een toename van de omloopsnelheid van de voorraad. Dat betekent:
I een toename van de voorraad bij ongewijzigde vraag
II een afname van de voorraad bij onveranderde vraag
III een toename van de vraag bij ongewijzigde voorraad
IV een afname van de vraag bij ongewijzigde voorraad

Wat is juist?
A
I en IV
B
II
C
alleen III
D
II en III

Slide 20 - Quizvraag

Vraagvoorspelling is een van de kernprocessen van voorraadbeheer. Welke van de KPI's m.b.t. dit proces is het belangrijkste in het licht van voorraadbeheer?
A
punctualiteit in het aanleveren van voorspellingsgegevens
B
voorspellingsaccuratesse
C
voorspellingshorizon
D
duidelijke gegevens

Slide 21 - Quizvraag

De geschatte wekelijkse vraag voor een onderdeel is 100 stuks met een standaardafwijking in de voorspelling van 10 stuks. Het onderdeel kan gekocht worden van leverancier A., die een 4-weken levertijd zonder vertraging aanbiedt. Het kan ook betrokken worden van leverancier B die 2 weken levertijd aanbiedt, maar vaak vertragingen (standaardafwijking van de levertijd is 1 week). Van welke leverancier zou gekocht moeten worden als de inkoopprijs, beschikbaarheid en transportkosten vergelijkbaar zijn?
A
A vanwege langere seriegrootte voorraad
B
A vanwege lagere kosten veiligheidsvoorraad
C
B vanwege lagere seriegrootte voorraad
D
B vanwege lagere kosten veiligheidsvoorraad

Slide 22 - Quizvraag

Computer Aided Ordening wordt gebruikt om:

I Het klantenservice niveau te verhogen
II Het bestelproces te automatiseren
III Het voorraadniveau radicaal te verlagen
IV De leverbetrouwbaarheid te verhogen
A
I, II en IV
B
II
C
III
D
IV

Slide 23 - Quizvraag

Welke methoden kunnen gebruikt worden om de vraag voor nieuwe producten te voorspellen?

I Modellen gebaseerd op tijdseries
II Heuristische modellen
III Analoge modellen
IV Econometrische modellen
A
I
B
I en II
C
III
D
III en IV

Slide 24 - Quizvraag

De groothandel die we bezitten werkt 5 dagen per week en de gemiddelde voorraad is 2 miljoen. De kosten van het vastgelegde kapitaal is 12% per jaar. De maandelijkse kosten van het geïnvesteerde kapitaal kunnen berekend worden als:
A
2 miljoen x (5/12) x 12%
B
2 miljoen x (1/12) x 0,12
C
2 miljoen x 0,12
D
(2 miljoen/5) x 12%

Slide 25 - Quizvraag

Welke van de volgende zijn doelstellingen van distributievoorraadbeheer?

I Het verzorgen van het benodigde niveau van klantenservice
II Het minimaliseren van de kosten van transport en afhandeling
III Het altijd voldoende voorraad hebben om tekorten te voorkomen
IV Het in staat zijn om samen te werken met de fabriek om detailplanning-problemen te voorkomen.
A
I, II en III
B
I, II en IV
C
I, III en IV
D
II, III en IV

Slide 26 - Quizvraag

Twee hoofdredenen om een bepaald fysiek distributiesysteem te kiezen zijn:
A
De kosten van het systeem en het gewenste serviceniveau
B
Het serviceniveau en de kosten van het voorraad houden
C
De kosten van opslag en de kosten van de voorraad
D
De kosten van transport en afhandeling

Slide 27 - Quizvraag

Ten gevolge van een (mogelijk express) vervoer kan het duur zijn om concurrerende service te geven op langzaam lopende delen die in 1 locatie zijn opgeslagen. Welke van de volgende redenen is de beste rechtvaardiging voor het centraal aanhouden van zulke delen, i.p.v. ze decentraal op te slaan?
A
Uitgaven voor het bijhouden van de voorraadposities
B
De benodigde investering in voorraden
C
Beheersing van overbodigheid
D
substitutie van functioneel equivalente delen

Slide 28 - Quizvraag

Welke van de volgende acties kan aangegeven worden als een sociale verantwoordelijkheid van leveranciers?
A
Het leveren van niet-politiek gevoelige producten
B
Het leveren van goederen met goede werkomstandigheden
C
Het leveren uit locaties waar goede bonusschema's zijn
D
Het leveren van goederen die overal in de wereld acceptabel zijn

Slide 29 - Quizvraag

Uit welke goederen bestaat de economische voorraad?
A
De goederen die in het magazijn aanwezig zijn.
B
De goederen die in het magazijn aanwezig zijn minus de goederen die door de klant besteld maar nog niet geleverd zijn.
C
De goederen die in het magazijn aanwezig zijn plus de goederen die bij de leverancier besteld zijn maar nog niet ontvangen zijn.
D
De vrije voorraad plus de goederen die bij de leverancier besteld maar nog niet ontvangen zijn min de goederen die door de klant besteld maar nog niet geleverd zijn.

Slide 30 - Quizvraag

Het bestelniveau wordt bepaald door:
A
De vraag gedurende de levertijd plus de veiligheidsvoorraad
B
De vraag gedurende de levertijd min de veiligheidsvoorraad
C
De gemiddelde vraag plus de veiligheidsvoorraad
D
De gemiddelde vraag min de veiligheidsvoorraad

Slide 31 - Quizvraag

De hoogte van de veiligheidsvoorraad is NIET afhankelijk van:
A
De levertijd van de goederen
B
De beoogde servicegraad
C
De door de klant gewenste servicegraad
D
De standaardafwijking van de vraag

Slide 32 - Quizvraag

Welke van de onderstaande is GEEN KPI voor de prestatie van het voorraadbeheer?
A
Het % retour gestuurde goederen als gevolg van verkeerde levering
B
Het % retour gestuurde goederen als gevolg van defecten
C
Het % op tijd geleverde goederen
D
De tijd die het kost om backorders na te leveren

Slide 33 - Quizvraag

De gemiddelde voorraad wordt als volgt berekend:
A
bestelhoeveelheid : 2
B
(beginvoorraad + eindvoorraad) : 2
C
(beginvoorraad - eindvoorraad) : 2
D
bestelhoeveelheid + veiligheidsvoorraad

Slide 34 - Quizvraag