Samenvatting/herhaling H. Industriële samenleving

Herhalen H. Industriële samenleving

Deze les gaan we stof van H. Industriële samenleving herhalen.
Hierna gaan jullie de opdrachten maken en oefenen met de begrippen.
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Herhalen H. Industriële samenleving

Deze les gaan we stof van H. Industriële samenleving herhalen.
Hierna gaan jullie de opdrachten maken en oefenen met de begrippen.

Slide 1 - Tekstslide

De industriële revolutie in 
Engeland


Waarom begon de Industriele revolutie in Engeland ? 

Slide 2 - Tekstslide

De 3 Revoluties
- Agrarische revolutie
- Demografische revolutie
- Industriële revolutie


Slide 3 - Tekstslide

De agrarische revolutie

  • In de 18e eeuw werden de landgoederen in Engeland steeds groter. 
  •  Landeigenaren gingen daarom steeds meer met machines werken.  Door deze mechanisatie werden de oogsten en opbrengsten veel groter. Er werd zelfs gesproken van een agrarische revolutie. Er kwamen ook 'nieuwe' gewassen, zoals de aardappel. 
  • Landeigenaren verdienden zo genoeg kapitaal (geld)
Je kan uitleggen wat de agrarische revolutie inhoudt

Slide 4 - Tekstslide

Voor de Agrarische Revolutie
Na de Agrarische Revolutie

Slide 5 - Tekstslide

Engeland rond 1700

  • Machtig land met een enorm groot rijk dat zich over de hele wereld uitstrekte.
  • De bevolking van Engeland groeit, hierdoor is er meer kleding nodig.
  • Veel kleding wordt gemaakt van katoen, dat door slaven op plantages wordt geplukt, en wol.

Het Britse Rijk omstreeks 1700

Slide 6 - Tekstslide

Demografische revolutie 
Demografische Revolutie
 = gevolg van de Agrarische revolutie 
  •  Er is beter eten 
  •  -> de bevolking gaat en kan groeien 

Slide 7 - Tekstslide

Gevolgen industriële revolutie

Slide 8 - Tekstslide

Uitvindingen zorgden ervoor dat huisnijverheid vervangen werd door industrie.

Slide 9 - Tekstslide

Stoommachine(!)
rond 1764 




  • De eerste werkende stoommachine van de Industriële Revolutie was die van Thomas Newcomen rond 1705
  • Pas door de verbeteringen van James Watt kon de stoomachine pas echt worden ingezet




De Engelsman James Watt voerde een aantal belangrijke veranderingen door in Newcomen's stoommachine waardoor het gebruik en de inzet makkelijker werden.

Slide 10 - Tekstslide

Meer productie
Door de uitvinding van de stoommachine kwam er een nieuwe sector in de economie namelijk: De industrie 

(Productie in fabrieken)

Slide 11 - Tekstslide

Urbanisatie in 19e eeuw
  • Industriële Revolutie (uitvinding van stoommachine)
  • vanaf 1850 toename industrie in Nederland 
  • explosieve groei bevolking 
  • trek van platteland naar de stad
  • 'sociale kwestie'
  • pullfactoren: werk, voorzieningenniveau
  • pushfacoren: werkloosheid

Slide 12 - Tekstslide

Slechte arbeidsomstandigheden.
  • lage lonen
  • veel ongelukken
  • de machines maken een veel lawaai
  • Saai en eentonig door Arbeidsdeling.
  • slechte lucht
  • lange werkdagen (14/16 uur)

Slide 13 - Tekstslide

Begrippen paragraaf 1
  • Agrarische revolutie
  • Arbeidsomstandigheden
  • Demografische revolutie
  • Huisnijverheid
  • Industriële Revolutie
  • Mechanisering
  • Urbanisatie

Slide 14 - Tekstslide

Wat was de agrarische revolutie?
A
Fabrieken waren in opkomst
B
Er werden nieuwe machines uitgevonden in de steden
C
Er werden machines gebruikt op het platteland
D
De mensen verhuizen van het platteland naar de stad

Slide 15 - Quizvraag

Wat is de betekenis van arbeidsomstandigheden?
A
Voorwaarden waaronder een arbeider moet werken (zoals het loon en het aantal werkuren).
B
Vereniging van mensen met dezelfde leeftijd die moeten werken.
C
Vereniging van mensen met hetzelfde beroep.
D
Voorwaarden waaronder een werkgever (baas) bepaalde zaken moet bepalen.

Slide 16 - Quizvraag

Wat houdt een demografische revolutie in?
A
Meer mensen gaan verhuizen naar de stad
B
Grote bevolkingsgroei doordat minder mensen sterven
C
Binnen de landbouw vindt mechanisatie plaats
D
Meer mensen doen aan landbouw

Slide 17 - Quizvraag

Wat is huisnijverheid?
A
Mensen maken producten in hun eigen huis om te verkopen
B
Mensen maken producten vanuit grondstoffen in de fabrieken
C
Uitvinders bedenken nieuwe uitvindingen in hun eigen huis
D
Fabrieksbazen kopen machines om zo minder personeel te betalen

Slide 18 - Quizvraag

Wat is de Industriële Revolutie?
A
De overgang van jagen en verzamelen naar de landbouw
B
De trek van het platteland naar de stad
C
De overgang van werken met de hand naar werken met machines
D
Grote groepen arbeiders die in fabrieken werken.

Slide 19 - Quizvraag

Wat is de betekenis van mechanisering?
A
Het maken van producten door mensen thuis.
B
Gebruikmaken van machines bij de bewerking van het land productie.
C
Trekken naar de stad

Slide 20 - Quizvraag

Wat is urbanisatie?
A
dat fabrieken in steden worden gebouwd
B
dat mensen in de fabrieken gaan werken
C
dat mensen van het platteland naar de stad gaan
D
dat mensen een stadse manier van leven gaan vertonen

Slide 21 - Quizvraag

De Industriële Revolutie in Nederland
Hoe verliep de industriële revolutie in Nederland? 
 

Slide 22 - Tekstslide

Een aarzelend begin
  • Op de wereldtentoonstelling laten landen uit de wereld zien hoe ver zij zijn met hun industrie. 
  • Nederland had op de wereld tentoonstelling niet tot nauwelijks iets laten zien wat met industrie te maken had. 
  • Groot-Brittannie was het eerste land waar de industriele revolutie plaats vond, daarom waren zij ook het verst. 
  • Groot-Brittannie was het eerste land waar een Industriele samenleving ontstond

Slide 23 - Tekstslide

Landbouw en Handel
Gevolg: Industrialisatie van Nederland gaat neit zo snel als in Groot-Brittannie

Oorzaak: Nederlanders focuste zich meer op de handel tussen Nederlands-Indie en Nederland. 

Oorzaak 2: Landbouw in Nederland was belangrijker. 

Oorzaak 3: Nederland had minder natuurlijke grondstoffen zoals kolen, dan Groot-Brittannie. 

Oorzaak 4: Het opstarten van een fabriek kostte veel geld. Het was voor beleggers niet altijd zeker of zij hun geld terug zouden verdienen. 

Slide 24 - Tekstslide

Nederland industrialiseert laat (1)
  • Pas vanaf 1870

  • Handel blijft voor veel investeerders belangrijk: weinig vertrouwen in de industrie

  • Weinig natuurlijke grondstoffen voor industrie.

Slide 25 - Tekstslide

Nederland industrialiseert laat (2)
  • Slechte infrastructuur

  • Grondstoffen kopen in het buitenland was duur

  • we verdienden al veel aan handel (oa uit kolonien)

Slide 26 - Tekstslide

Nederland industrialiseert...toch
  • Vanaf 1870 steeds meer fabrieken
  • Liberalen aan de macht: meer economische vrijheid

  • Willem 1 wil van Nederland een modern land maken met goede infrastructuur en industrie

  • Voldoende arbeidskrachten 

Slide 27 - Tekstslide

Begrippen paragraaf 3
  • Concurrentie
  • Fusie
  • Grootschalig
  • Kleinschalig

Slide 28 - Tekstslide

Wat is de betekenis van concurrentie?
A
Wanneer twee of meer bedrijven samensmelten tot één bedrijf.
B
Strijd tussen bedrijven die bedoeld is om méér te verkopen dan de ander.
C
Klein van opzet; waar weinig dingen of personen bij betrokken zijn.
D
Groot van opzet; waar veel dingen of personen bij betrokken zijn.

Slide 29 - Quizvraag

Wat is de betekenis van fusie?
A
Wanneer twee of meer bedrijven samensmelten tot één bedrijf.
B
Strijd tussen bedrijven die bedoeld is om méér te verkopen dan de ander.
C
Klein van opzet; waar weinig dingen of personen bij betrokken zijn.
D
Groot van opzet; waar veel dingen of personen bij betrokken zijn.

Slide 30 - Quizvraag

Wat is de betekenis van grootschalig?
A
Wanneer twee of meer bedrijven samensmelten tot één bedrijf.
B
Strijd tussen bedrijven die bedoeld is om méér te verkopen dan de ander.
C
Klein van opzet; waar weinig dingen of personen bij betrokken zijn.
D
Groot van opzet; waar veel dingen of personen bij betrokken zijn.

Slide 31 - Quizvraag

Wat is de betekenis van kleinschalig?
A
Wanneer twee of meer bedrijven samensmelten tot één bedrijf.
B
Strijd tussen bedrijven die bedoeld is om méér te verkopen dan de ander.
C
Klein van opzet; waar weinig dingen of personen bij betrokken zijn.
D
Groot van opzet; waar veel dingen of personen bij betrokken zijn.

Slide 32 - Quizvraag

Paragraaf 3 
De sociale verhoudingen in Nederland

Slide 33 - Tekstslide

Wat is de Sociale Kwestie? 
  • Een kwestie is een probleem

  • De slechte woon- en werkomstandigheden van de arbeiders zijn duidelijk zichtbaar.

  • Vooral in de steden.

Slide 34 - Tekstslide

Sociale Wetten
  • Armenwet - 1854
  • Kinderwetje - 1874
  • Woningwet - 1901
  • Ongevallenwet - 1901
  • Leerplichtwet - 1901

Slide 35 - Tekstslide

Invoering Sociale wetten
  • Zeer slechte woon- werkomstandigheden arbeider
  • Regering zag dat ze hier iets aan moesten doen
  • 1874 Invoering eerste sociale wet (kinderwetje Van Houten --> kinderarbeid onder de 12 jaar in fabrieken verboden)

  • Invoering meer sociale wetten

Slide 36 - Tekstslide

Arbeiders gaan zich organiseren

  • Arbeiders gaan staken: dit werkt alleen als iedereen gaat staken, en dat was moeilijk vol te houden

  • Arbeiders gaan samenwerken in vakbonden.

Slide 37 - Tekstslide

Pieter Jelles Troelstra
  • Socialist
  • Een van de oprichters van
      de SDAP. (Sociaal- 
      Democratische
      Arbeiderspartij
    )
  • Algemeen kiesrecht 

Slide 38 - Tekstslide

Economie tijdens WOI

  • Nederlandse handel lastig door invoerverbod + duikbotenoorlog


  • Gevolg = grote schaarste aan goederen 

  • Veel producten alleen nog “op de bon” verkrijgbaar -> distributiesysteem d.m.v. bonkaarten

  • Lange wachtrijen voor winkels zijn heel normaal, voorraad was snel op 


Slide 39 - Tekstslide

Successen voor de arbeider
  • In het buitenland was de situatie nog erger
  • de Nederlandse regering greep in voor het ook hier zover zou komen
  • 1919 Arbeidswet
  • Hierin werden allerlei afspraken voor de arbeiders vastgelegd
  • CAO Collectieve ArbeidsOvereenkomst.

Slide 40 - Tekstslide

Economische crisis
1929
- Beurskrach in Verenigde Staten
- deze crisis slaat over naar Europa
-  premier Colijn lanceert de aanpassingspolitiek = Niet meer geld uitgeven dan er binnenkomt

Slide 41 - Tekstslide

Begrippen paragraaf 3
  • aanpassingspolitiek
  •  censuskiesrecht
  • collectieve arbeidsovereenkomst (cao)
  • communisten
  • distributiestelsel
  • sociale kwestie
  • sociale wet
  • socialisten
  • staken
  • uitkering
  • vakbond


Slide 42 - Tekstslide

Aan de slag:




Aan de slag: 
Maken begrippen opdracht
Klaar? Iets voor jezelf doen! 



Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Video

Slide 45 - Link

Begrippen paragraaf 4
  • Arbeitseinsatz
  •  consumptiemaatschappij
  • gastarbeider
  • geleide loonpolitiek
  • harmoniemodel
  • schaalvergroting
  • wederopbouw

Slide 46 - Tekstslide

Aan de slag:




Aan de slag: 
Maken begrippen quizlet: https://quizlet.com/_bjq32g?x=1jqt&i=2ura00
Klaar? Iets voor jezelf doen! 



Slide 47 - Tekstslide