1TH Woordsoorten herhaling

Welkom!
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, mavo, havoLeerjaar 1

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Welkom!

Slide 1 - Tekstslide

Deze les...
- Opening
- Stil lezen
- Doelen doornemen
- Herhaling Grammatica Woordsoorten
- Grammatica Woordsoorten oefenen
- Vragen stellen (donderdag toets!)

Slide 2 - Tekstslide

Stil lezen
Pak je boek
en kruip
in het verhaal 
timer
10:00

Slide 3 - Tekstslide

Doelen
- Ik kan het werkwoord (ww) in een zin herkennen
- Ik kan het lidwoord (lw) in een zin herkennen
- Ik kan het zelfstandig naamwoord (zn) in een zin herkennen
- Ik kan het bijvoeglijk naamwoord (bn) in een zin herkennen
- Ik kan het voorzetsel (vz) in een zin herkennen

Slide 4 - Tekstslide

Herhaling: 
wat weet je nog?

Slide 5 - Tekstslide

Wat zijn de werkwoorden in de zin?

Heb jij jouw kapotte fiets zelf gerepareerd?

Slide 6 - Open vraag

Wat zijn de werkwoorden in de zin?

Losse stoeptegels veroorzaakten een grote valpartij tijdens de avondvierdaagse.

Slide 7 - Open vraag

Wat zijn de werkwoorden in de zin?

Justin Timberlake treedt op tijdens de finale van het Eurovisie Songfestival.

Slide 8 - Open vraag

Werkwoord (ww)
- Geeft aan wat iets of iemand doet
- Geeft aan wat iets of iemand overkomt
- Kun je vervoegen:
lopen: loop, loopt, lopen, liep, liepen, gelopen, lopend
- Elke zin bevat ten minste één werkwoord
- Let op bij scheidbare werkwoorden!

Slide 9 - Tekstslide

Wat zijn de drie lidwoorden?

Slide 10 - Open vraag

Lidwoord (lw)
- De lidwoorden zijn 'de', 'het' en 'een'.
- Lidwoorden staan altijd voor een zelfstandig naamwoord.
- Let op bij 'een'. Als je dat uitspreekt als 'één' is het geen lidwoord!

Slide 11 - Tekstslide

Zelfstandig naamwoord (zn)
- Het zn is op heel veel manieren te herkennen:
       > Er kan een lidwoord voor staan.
       > Het zijn vaak medipladi: mensen, dieren, planten, dingen.
       > Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken.
       > Je kunt er vaak een meervoudsvorm van maken.
- Ook (aardrijkskundige) namen zijn zn!

Slide 12 - Tekstslide

Wat zijn de zelfstandig naamwoorden in deze zin?

Wij nemen morgen de eerste boot naar Ameland.

Slide 13 - Open vraag

Wat zijn de zelfstandig naamwoorden in deze zin?

Bij de sport rugby wordt de scheidsrechter nooit uitgescholden.

Slide 14 - Open vraag

Een bijvoeglijk naamwoord staat altijd vóór een zelfstandig naamwoord.
A
waar
B
niet waar

Slide 15 - Quizvraag

Bijvoeglijk naamwoord (bn)
- Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig   
   naamwoord (zn); het geeft een eigenschap aan.
- Meestal staat het bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig  
   naamwoord, maar het kan er ook achter staan.
- Een bijvoeglijk naamwoord dat aangeeft van welke stof of
   welk materiaal iets gemaakt is, noem je stoffelijk bijvoeglijk 
   naamwoord.

Slide 16 - Tekstslide

Noteer een passend voorzetsel.

Ben jij ook zo gek ... ijs?

Slide 17 - Open vraag

Noteer een passend voorzetsel.

Sjors schrok ontzetten ... de spin in zijn slaapkamer.

Slide 18 - Open vraag

Noteer de voorzetsels.

Je hart pompt bloed door je hele lichaam.

Slide 19 - Open vraag

Noteer de voorzetsels.

Tijdens het feestje gingen we naar de bioscoop.

Slide 20 - Open vraag

Voorzetsel (vz)
- Geeft een plaats, tijd, reden/oorzaak of richting aan
- Staat vaak vóór de combinatie lw + zn
- Ook wel 'kastwoorden' en 'feestjewoorden'
    (zie volgende pagina)
- Bij sommige werkwoorden hoort een vast voorzetsel
   geloven in, zoeken naar, bestaan uit
- Let op! Het splitsbare deel van een ww is géén voorzetsel!

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Ik kan ww, lw, zn, bn en vz in een zin benoemen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 23 - Poll

Aan de slag! 
Oefen jezelf in Nieuw Nederlands Online:
- H1 > Trainen > Taalverzorging 1 > Ww
- H2 > Trainen > Taalverzorging 2 > Zn en lw
- H5 > Trainen > Taalverzorging 1 > Bn
- H6 > Trainen > Taalverzorging  1 > Vz

Slide 24 - Tekstslide