Werkplekleren (observeren, rapporteren, registreren,...)

Werkplekleren

1 / 98
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMaatschappij & WelzijnBuitengewoon secundair onderwijsB-stroomType 4Opleidingsvorm 4Leerjaar 2

In deze les zitten 98 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Werkplekleren

Wat is werkplekleren?



Dat is een vorm van onderwijs waarbij het aanleren van vaardigheden grotendeels of gedeeltelijk op een echte werkvloer plaatsvindt, gecombineerd met theorie op school.


Je maakt kennis met verschillende doelgroepen: 

  • Kinderdagverblijf 

  • Peuter/kleuterklas 

  • Buitengewone lagere school 

  • Volwassenwerking 

  • Rusthuis 




Met welke doelgroepen kom je in contact op werkplekleren? Som ze op!

Je bereidt je ondersteuning grondig voor door een kijkje te nemen op de website en/of facebookpagina van de locatie. 


Aanwezigheid vóór 8u35 

Ben je ziek of kom je door een geldige reden later dan 8u35? Verwittig tijdig: 

  • Mail naar De Ruyck of De Spriet — vóór 8u30 

  • Bellen naar het secretariaat — vóór 8u30 (Tip: sla het nummer op in je gsm) 



-> Ondersteuningsreglement: lezen en laten tekenen door ouder/voogd!



Tijdens het werkplekleren vertegenwoordig je niet alleen jezelf, maar ook de school. Daarom verwachten we een professionele, respectvolle en gemotiveerde houding. 

 

Tijdens het werkplekleren verwachten we dat je: 

  • stipt aanwezig bent en afspraken nakomt; 

  • verzorgd en netjes voorkomt; 

  • vriendelijk, beleefd en behulpzaam bent; 

  • verantwoordelijkheid opneemt voor de taken die je krijgt; 

  • interesse toont en initiatief neemt; 

  • instructies van je mentor en begeleiders opvolgt; 

  • discreet omgaat met vertrouwelijke informatie; 

  • een verzorgd taalgebruik hanteert; 

  • openstaat voor feedback en bij wil leren. 

Wat mag je wel en niet doen tijdens het werkplekleren?


Tijdens het werkplekleren krijg je de kans om kennis te maken met de dagelijkse werking van een zorg- of welzijnsvoorziening. Je leert hoe professionals samenwerken en hoe zij baby's, kinderen, cliënten en bewoners ondersteunen. Omdat je nog in opleiding bent, zijn er duidelijke afspraken over de taken die je wel en niet mag uitvoeren. 

 


Niet toegelaten 

Leerlingen mogen geen zorgkundige, verpleegkundige of verzorgende handelingen uitvoeren. Deze taken behoren tot de verantwoordelijkheid van opgeleide medewerkers binnen de voorziening. 
Dit betekent dat je onder andere niet mag: 

  • persoonlijke verzorging uitvoeren zoals verluieren, aan- of uitkleden; 

  • helpen bij toiletbezoeken; 

  • slaapzakken aandoen of uitdoen; 

  • bewoners of cliënten verplaatsen of tillen; 

  • medicatie toedienen; 

  • voedings- of verzorgingshandelingen uitvoeren; 

  • medische of verpleegkundige handelingen uitvoeren; 

  • andere taken uitvoeren waarvoor een specifieke opleiding of bevoegdheid vereist is. 

Wel toegelaten 

Leerlingen kunnen wel ondersteuning bieden door het uitvoeren van logistieke, organisatorische en begeleidende taken. Deze taken dragen bij aan een vlotte werking van de voorziening en bieden waardevolle leerkansen. 

Je mag bijvoorbeeld: 

  • lokalen en gemeenschappelijke ruimtes mee helpen opruimen; 

  • materialen klaarzetten, sorteren en opbergen; 

  • helpen bij de voorbereiding en het opruimen van activiteiten; 

  • ondersteuning bieden bij recreatieve of educatieve activiteiten; 

  • cliënten, bewoners of kinderen gezelschap houden en begeleiden tijdens activiteiten; 

  • observaties uitvoeren in functie van schoolopdrachten; 

  • helpen bij het creëren van een aangename en verzorgde leefomgeving; 

  • samenwerken met medewerkers binnen de grenzen van je eigen rol als leerling. 

Voorbereidende taak

  • Do’s en Dont’s en podcast (voor leerlingen 3Z&W) 



  • Groepswerk uitleg werkplekleren aan 3Z&W (voor leerlingen 4Z&W) 

Rollenspel: baby en peuter (kaartjes leerkracht)

-> communiceren, respectvol en belevingsgericht handelen, samenwerken,...


Respectvol en belevingsgericht handelen

Wat versta jij onder respectvol en belevingsgericht handelen?

Respectvol handelen doe je als iemand als persoon serieus neemt en als waardevol beschouwt.


Je waardeert en respecteert de mening, tijd en ruimte van de ander. Als je respectvol wil handelen, handel dan zoals je zelf wilt dat anderen met jou omgaan.


Het draait om respect voor de ander, voor jezelf en voor materiaal. 

Belevingsgericht handelen is je handelen afstemmen op de situatie en de leefwereld van de ander.


Je houdt rekening met wat de ander beleeft en toont begrip voor de betekenis daarvan in zijn belevingswereld.


Je wilt begrijpen welke gevoelens de ander beleeft en van daaruit probeer je in verbinding te komen met de andere. Je hebt aandacht voor gevoelens, emoties, noden en behoeften.

Toepassen: Kruip in mijn leefwereld! (kaartjes leerkracht)

Per drie in een team! Iedere leerling krijgt een rol:


  1. De zorgverlener: voert de opdracht uit.

  2. De zorgvrager: speelt een bepaalde situatie.

  3. De observator: kijkt of de zorgverlener respectvol en belevingsgericht handelt.



Bespreek klassikaal na elke situatie:


  1. Wat deed de zorgverlener goed?

  2. Voelde de zorgvrager zich gerespecteerd?

  3. Werd er rekening gehouden met de wensen en behoeften?

  4. Kon de zorgvrager zelf keuzes maken?

  5. Wat kon de zorgverlener nog beter doen?

  6. Was het handelen respectvol én belevingsgericht? Waarom?

Is het duidelijk hoe je respectvol en belevingsgericht moet handelen?

Communiceren

Spel: de communicatieketting

De leerlingen zitten in een kring.


  1. De eerste leerling krijgt een boodschap van de leerkracht.

  2. Hij fluistert de boodschap door aan de volgende leerling.

  3. De boodschap gaat de volledige rij rond.

  4. De laatste leerling vertelt luidop wat hij gehoord heeft.


Reflectievragen:

  • Is de boodschap veranderd?

  • Waarom is duidelijk communiceren belangrijk?

Spel: Wat zou jij zeggen?

Opdracht: Formuleer telkens een vriendelijke, duidelijke en professionele reactie.


  1. Je komt aan op je werkplek. Wat zeg je?

  2. Je wilt een medewerker iets vragen, maar die is bezig. Wat zeg je?

  3. Je hebt een opdracht niet begrepen. Wat zeg je?

  4. Je merkt dat een kind verdrietig is. Wat zeg je?

  5. Je moet vroeger vertrekken dan gepland. Hoe meld je dit?

  6. Je hebt hulp nodig bij een taak. Hoe vraag je dit?

  7. Je merkt dat je een fout hebt gemaakt. Hoe bespreek je dit?

  8. Je wilt weten of je werk goed uitgevoerd is. Hoe vraag je feedback?

Vul aan! Wanneer ik iets niet begrijp, dan ...

Vul aan! Wanneer ik hulp nodig heb, dan ...

Communicatie -> belangrijk op werkplekleren

Wat loopt er fout in de communicatie?

Op je werkplek ben je niet alleen aanwezig om te observeren en kleine taken uit te voeren. Je bent ook deel van een team. Goed communiceren betekent luisteren, vragen stellen, informatie doorgeven, feedback aanvaarden en respectvol omgaan met anderen.

De eerste indruk

Een eerste indruk is het onbewuste en snelle oordeel dat iemand over je vormt wanneer jullie elkaar voor het eerst ontmoeten. Dit gebeurt vaak al binnen enkele seconden tot een halve minuut.

Opdracht: stel jezelf voor!

Je komt voor de eerste keer aan op je werkplekleren. Je ontmoet de begeleider en de medewerkers. Je stelt jezelf op een gepaste manier voor aan de begeleiding.


Bereid een korte voorstelling voor waarin je volgende zaken vertelt:

  1. Wat is je naam?

  2. Welke richting en welk leerjaar volg je?

  3. Wat hoop je hier te leren?

  4. Wat vind je leuk?

  5. Waar ben je eventueel nog onzeker over?

Opdracht: stel jezelf voor!

Je komt voor de eerste keer aan op je werkplekleren. Je ontmoet de begeleider en de medewerkers. Je stelt jezelf op een gepaste manier voor aan de begeleiding.


Bereid een korte voorstelling voor waarin je volgende zaken vertelt:

  1. Wat is je naam?

  2. Welke richting en welk leerjaar volg je?

  3. Wat hoop je hier te leren?

  4. Wat vind je leuk?

  5. Waar ben je eventueel nog onzeker over?

"Goedemorgen, mijn naam is Emma. Ik ben 15 jaar en volg de richting Zorg en Welzijn in het derde middelbaar.

Vandaag kom ik hier werkplekleren. Ik kijk ernaar uit om nieuwe ervaringen op te doen en bij te leren over het begeleiden en ondersteunen van kinderen.

Ik help graag anderen en vind het leuk om samen activiteiten te doen. Ik ben wel nog wat onzeker omdat het mijn eerste keer is, maar ik zal mijn best doen.

Als ik iets niet begrijp, zal ik het zeker vragen. Ik hoop op een fijne samenwerking!"

Werk per twee.

  • Leerling A: stagiair.

  • Leerling B: begeleider op de werkplek.


Speel de eerste kennismaking na. Stel jezelf voor en voer een kort kennismakingsgesprek.


De begeleider stelt ook enkele vragen:

  • Heb je al ervaring met deze doelgroep?

  • Wat zou je graag willen leren?

  • Wat vind je moeilijk of spannend?

  • Waarmee kunnen we jou helpen?


-> Wissel daarna van rol.

Controleer jezelf!

Ik kan:

  • vriendelijk begroeten?

  • oogcontact maken?

  • beleefd antwoorden op vragen?

  • een geïnteresseerde houding tonen?

  • luid en verstaanbaar spreken?


Bespreek: Stel je jezelf op dezelfde manier voor aan een begeleider als aan een kleuter of oudere persoon? Waarom wel of niet?


-> Je past je taalgebruik, houding en manier van communiceren aan de persoon en de situatie aan. Dat is professioneel communiceren!


Opdracht: Jezelf voorstellen


Hoe stel je jezelf voor aan:


  • een baby?

  • een peuter?

  • lager schoolkind?

  • volwassene?

  • rusthuisbewoner?

Begrijp je het nut van een goede communicatie?

Wat versta je onder samenwerken? Wat vind je belangrijk?

Samenwerken

Rollen tijdens het samenwerken -> de axenroos

De axenroos helpt om verschillende manieren van omgaan en communiceren met anderen te herkennen. Tijdens werkplekleren kan je leren hoe je eigen gedrag invloed heeft op de samenwerking met collega's, begeleiders, kinderen, volwassenen en ouderen.

Welk dier herken je het vaakst bij jezelf?

Je biedt spontaan hulp aan een begeleider die het druk heeft.

A

Bever

B

Steenbok

C

Kameel

D

Uil

Je luistert aandachtig naar een bewoner die zijn verhaal vertelt.

A

Leeuw

B

Poes

C

Havik

D

Wasbeer

Je vraagt hulp aan je begeleider wanneer je iets niet begrijpt.

A

Havik

B

Wasbeer

C

Kameel

D

Steenbok

Mijn gevoel na de theorie rond de axenroos ...

Observeren

Opdracht: kijk 30 seconden naar deze afbeelding

  1. Wat zag je allemaal?

  2. Wat deden de kinderen?

  3. Wie werkte er samen?

  4. Wie stond er alleen?



-> Zagen we allemaal hetzelfde?



Besluit: Je hebt goed gekeken, maar je hebt ook geobserveerd!

Klassikale bespreking:

Wat is observeren?


Observeren = bewust en gericht waarnemen

Een observatie is een manier om informatie te verzamelen door goed te kijken en te luisteren naar wat er gebeurt. Observeren betekent dat je bewust en aandachtig waarneemt met al je zintuigen (zien, horen, ruiken, voelen en proeven) om informatie te verzamelen over een persoon, een situatie of een omgeving.


Voorbeeld

Je observeert kinderen op de speelplaats.

  • Je ziet twee kinderen samen spelen.

  • Je hoort hen lachen.

  • Je ziet dat een ander kind alleen op een bank zit.


Zo verzamel je informatie over het gedrag van mensen.


Waarnemen is het in zich opnemen van de prikkels die je zintuigen opvangen (zien, horen, voelen, ruiken, smaken)

 

Je neemt voortdurend prikkels uit je omgeving waar.


 


 


Wat zijn de 5 zintuigen?

Niet iedereen neemt prikkels op dezelfde manier waar, deze worden beïnvloed door verschillende factoren:


-      Interne factoren (gevoelens)

-      Externe factoren (situaties uit je omgeving, laten beïnvloeden)

-      Ervaringen

-      Gewoonten

-      Verwachtingen

-      Eigen motivatie

 

Observeren is waarnemen met een bepaald doel voor ogen.

In Maatschappij en Welzijn observeren we bijvoorbeeld:


  • Hoe iemand zich gedraagt.

  • Hoe iemand zich voelt.

  • Wat iemand nodig heeft.

  • Hoe mensen met elkaar omgaan.

Onthoud: Wat je denkt, is niet altijd wat er werkelijk aan de hand is!

Bespreek in duo:

  1. Wat zie je op de afbeelding?

  2. Welk gedrag valt je op?

  3. Hoe denk je dat deze persoon zich voelt?

  4. Hoe weet je dat? Wat heb je waargenomen?


Klassikaal: Kunnen we zeker weten wat iemand voelt? Waarom wel of niet?


Opdracht: de observatie detective

Spelverloop:


  1. Eén leerling trekt een kaartje met een opdracht (kaartjes leerkracht)

  2. De leerling beeldt een situatie uit zonder te spreken.

  3. De klas observeert aandachtig.

  4. De leerlingen vertellen wat ze waarnemen.

  5. Daarna raden ze welke emotie of situatie wordt uitgebeeld. -> de basisemoties worden later nog verder behandeld! Tijdens dit spel ligt de nadruk op observeren, waarnemen en het verwoorden van wat je ziet.

Soorten observaties

Welke 4 soorten observaties bestaan er? Som ze op!

Observatietechnieken (gesloten observaties)

Soms de drie meest voorkomende observatietechnieken op.




1. Objectief

Je noteert wat je werkelijk ziet of hoort. Je laat je eigen mening of gevoelens achterwege.

  • ❌ Het kind is vervelend.

  • ✅ Het kind roept drie keer tijdens de uitleg.


2. Gericht

  • Je weet vooraf waarop je gaat letten. Je observeert niet zomaar alles, maar hebt een duidelijk doel.

    • ❌ Ik kijk naar alles wat er gebeurt op de speelplaats.

    • ✅ Ik let erop hoe kinderen met elkaar samenwerken.




4 criteria voor een goede observatie

3. Systematisch

Je observeert op een georganiseerde manier. Je werkt volgens een plan en noteert je waarnemingen.

  • ❌ Ik schrijf achteraf op wat ik mij nog herinner.

  • ✅ Ik noteer tijdens het observeren wat ik zie en hoor


4. Volledig en nauwkeurig

Je probeert zoveel mogelijk belangrijke informatie te verzamelen. Je laat geen belangrijke details weg.

  • ❌ Het kind speelt.

  • ✅ Het kind bouwt samen met twee andere kinderen een toren met blokken. Wanneer de toren omvalt, beginnen ze opnieuw.

Oefening: Is dit een goede observatie?


Situatie: Een leerling observeert een kind op de speelplaats.

  1. 'Het kind is stout.'

  2. 'Ik observeer hoe kinderen samen spelen.'

  3. 'Ik schrijf mijn waarnemingen op tijdens het observeren.'

  4. 'Het kind speelt.'



Klassikaal: Welk criterium wordt niet of onvoldoende toegepast?

Wat zijn de 4 criteria voor een goede observatie?

Observatieplan

Om je observatie te organiseren stel je een observatieplan op. Dat is een methode waarbij je een aantal fasen doorloopt, om op die manier je observatie op een kwalitatieve manier te organiseren en uitvoeren.

Slide titel

Opdracht: ik word een observatiedetective!

Situatie: Observeer een klasgenoot die zelfstandig een opdracht uitvoert!

Observatievraag: Hoe gedraagt een klasgenoot zich tijdens het zelfstandig uitvoeren van een opdracht?':


Observeer gedurende 5 minuten en let op:

  • Lichaamshouding.

  • Gezichtsuitdrukking.

  • Bewegingen.

  • Concentratie.

  • Contact met anderen.

  • Eventuele geluiden of uitspraken.


Belangrijk: Noteer wat je werkelijk ziet en hoort, zonder meteen conclusies te trekken.

Je voert de observatie uit -> blad van de leerkracht.


Volgende observatietechnieken worden geoefend:

A. Gesloten observatie: turfmethode

B. Gesloten observatie: beoordelingsschalen

C. Gesloten observatie: beschrijvende observatie


Controleer jezelf:

  • ☐ Ik heb objectief geobserveerd (zonder mijn mening te geven).

  • ☐ Ik heb gericht geobserveerd (ik wist waarop ik moest letten).

  • ☐ Ik heb systematisch geobserveerd (ik heb mijn waarnemingen genoteerd).

  • ☐ Ik heb volledig en nauwkeurig geobserveerd (ik noteerde voldoende details).

Klassikale bespreking achteraf:


  1. Was het gemakkelijk om iemand te observeren?

  2. Heb je alleen gezien wat er gebeurde of heb je ook dingen verondersteld?

  3. Kunnen twee leerlingen dezelfde situatie anders observeren?

  4. Waarom is het belangrijk om objectief te blijven?

  5. Hoe zorg je ervoor dat je iemand respectvol observeert?

  6. Vergelijk de observaties met je klasgenoten. Heb je hetzelfde genoteerd? Hoe komt dit?

Inoefenen: rollenspel (kaartjes leerkracht)

Rollenspel 1: beschrijvende observatie



Rollenspel 2: beoordelingsschaal



Rollenspel 3: turfmethode


Welke observatiemethode past het best? Hoe vaak steekt een leerling zijn hand op tijdens de les?

A

Turfmethode

B

Beoordelingsschaal

C

Beschrijvende observatie

Welke observatiemethode past het best? Hoe reageert een kind wanneer het valt op de speelplaats?

A

Turfmethode

B

Beoordelingsschaal

C

Beschrijvende observatie

Welke observatiemethode past het best? In welke mate luistert een leerling aandachtig naar anderen?

A

Turfmethode

B

Beoordelingsschaal

C

Beschrijvende observatie

Begrijp je de theorie rond observeren?

Rapporteren

Rapporteren is het overbrengen van informatie. Je brengt verslag uit. Je verzamelt gegevens door een observatie en brengt die nadien over naar je leerkracht en klasgenoten.


-> Via een kringgesprek (reflectiemoment in de klas tijdens lesuur 4)

We werken volgens de OVUR - methode (OVUR - bundels)

Waarvoor staat 'OVUR'?

A

Oriënteren, voorbereiden, uitleggen, evalueren.

B

Oriënteren, voorbereiden, uitvoeren, reflecteren.

C

Observeren, voorbereiden, uitleggen, evalueren

D

Observeren, voorbereiden, uitvoeren, reflecteren.

Taak: werkplekleren

Je krijgt een taak per keer dat je gaat werkplekleren.


-> Staat op Smartschool bij 'werkplekleren


-> Lees de vragen grondig

OVUR - bundels: kinderdagverblijf Sint - Jozef

1e keer:



2e keer:



3e keer:

Werkplekleren in het kinderdagverblijf zit erop! Wat is je gevoel?

Dit wil ik nog kwijt na afronding werkplekleren in het kinderdagverblijf ...

Rollenspel: kleuter (kaartjes leerkracht)

-> Pas de geziene theorie goed toe!

Opdracht: stel jezelf voor (kleuterklas)

Je komt voor de eerste keer aan op je werkplekleren. Je ontmoet de juf/meester en de medewerkers. Je stelt jezelf op een gepaste manier voor aan de begeleiding.


Bereid een korte voorstelling voor waarin je volgende zaken vertelt:

  1. Wat is je naam?

  2. Welke richting en welk leerjaar volg je?

  3. Wat hoop je hier te leren?

  4. Wat vind je leuk?

  5. Waar ben je eventueel nog onzeker over?

Opdracht: stel jezelf voor -> aan de kleuter