OET P5 Organisatievormen en wedstrijdschema's

OET P5 Organisatievormen en wedstrijdschema's

1 / 66
volgende
Slide 1: Slide
newEditorOETTertiary Education

In deze les zitten 66 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

OET P5 Organisatievormen en wedstrijdschema's

Open met het idee dat dezelfde activiteit heel anders verloopt door de gekozen organisatievorm. Koppel de les aan sport, spel en evenementenorganisatie in de praktijk.

Lesdoel

Ik kan verschillende organisatievormen onderscheiden, de voor- en nadelen benoemen en een passende keuze maken voor de praktijk.

Deze slide heeft geen instructies

Welk woord past voor jou bij sport organiseren?

Gebruik deze woordwolk om voorkennis op te halen. Verwachte woorden: toernooi, plezier, teams, regels, winnen, planning, schema.

Wedstrijdgericht of niet?

Bij een wedstrijdgerichte vorm draait het om winnen of verliezen.


Bij een niet-wedstrijdgerichte vorm draait het vooral om plezier, meedoen en afwisseling.


De keuze hangt af van het doel van de activiteit.

Benadruk dat dit onderscheid eerst gemaakt moet worden voordat leerlingen een concrete organisatievorm kiezen.

Kenmerken van beide vormen

Wedstrijdgericht

  • uitslag of rangorde

  • vaak een winnaar

  • meer nadruk op prestatie


Niet-wedstrijdgericht

  • vrij deelnemen

  • plezier staat voorop

  • minder belangrijk wie wint

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer kies je wat?

Kies een wedstrijdgerichte vorm als je wilt vergelijken wie het beste presteert.


Kies een niet-wedstrijdgerichte vorm als je veel deelnemers actief wilt houden, sfeer belangrijk is en winnen minder centraal staat.

Geef een eenvoudig voorbeeld, zoals een schooltoernooi tegenover een sportdag met vrije activiteiten.

Praktijkvoorbeelden

  • Een kampioenschap past bij wedstrijdgerichte vormen.

  • Een spelmiddag met vrije keuze past bij niet-wedstrijdgerichte vormen.

  • Een trainer of organisator kijkt altijd naar doel, groep en tijd.

Deze slide heeft geen instructies

Welke vorm kies je als plezier het belangrijkst is?

A

afvalsysteem

B

poulesysteem

C

niet-wedstrijdgericht

D

competitiesysteem

Toetst het kernverschil uit slides 2-5: plezier en meedoen horen bij niet-wedstrijdgerichte vormen.

Kernbegrippen herkennen

Bij een wedstrijdgerichte vorm draait het om winnen of verliezen. Bij een niet-wedstrijdgerichte vorm gaat het vooral om plezier en meedoen. De keuze hangt af van het doel van de activiteit.

wedstrijdgerichte vorm
niet-wedstrijdgerichte vorm
doel
instuif
planning
poule

De blanks zijn de dragende begrippen uit de eerste subtopic.

De instuif

Een open instuif is een niet-wedstrijdgerichte vorm.


Er is geen vaste volgorde.

Deelnemers kunnen vrij in- en uitlopen.


Een open instuif wordt ook wel een spelenkermis genoemd.

Deze slide heeft geen instructies

Voordelen van een instuif

  • veel keuze voor deelnemers

  • lage drempel om mee te doen

  • deelnemers blijven in beweging

  • geschikt voor grote groepen

Leg uit dat deze vorm vaak goed werkt bij open dagen, buurtevenementen en sportkennismaking.

Nadelen van een instuif

  • minder overzicht voor de organisatie

  • deelnemers kiezen niet altijd alles

  • lastig om prestaties te vergelijken

  • soms drukte bij populaire onderdelen

Maak duidelijk dat een instuif veel vrijheid geeft, maar juist daarom goede begeleiding en duidelijke afspraken nodig heeft.

Wanneer past een instuif?

Een instuif past goed als:

  • plezier belangrijker is dan winnen

  • deelnemers op eigen tempo meedoen

  • er meerdere activiteiten tegelijk zijn

  • vrije keuze gewenst is

Deze slide heeft geen instructies

Wat hoort bij een open instuif?

A

vaste volgorde

B

vrij in- en uitlopen

C

snelle winnaar

D

vaste tegenstander

Controleert of leerlingen de open instuif niet verwarren met een roulatiesysteem of afvalsysteem.

Noem één nadeel van een instuif.

Bespreek antwoorden als: veel keuze, lage drempel, in beweging blijven, geschikt voor grote groepen, maar ook minder overzicht, drukte of lastig vergelijken. Laat leerlingen één voordeel of nadeel koppelen aan een situatie.

Opdrachten instuif

Opdracht 3, 4, 5 van het boek organiseren van evenementen blz. 18-19

Deze slide heeft geen instructies

Roulatiesysteem

Een roulatiesysteem is een organisatievorm waarbij deelnemers elke ronde doorschuiven.


Ze spelen steeds tegen een andere deelnemer of doen een andere spel- of vaardigheidsvorm.


Er is een vaste volgorde in het doorschuiven.

Deze slide heeft geen instructies

Vaste volgorde 1: doorschuiven

Bij doorschuiven gaat iedere deelnemer of groep na een ronde naar de volgende plek.


Zo komt iedereen langs alle onderdelen of tegenstanders in een vaste route.

Gebruik een eenvoudig voorbeeld met 4 vakken of 4 stations.

Vaste volgorde 2: circuit

Bij een circuit werken deelnemers een reeks vaste stations af.


Elke ronde wisselen zij van station.

Zo ontstaat afwisseling in opdrachten of vaardigheden.

Deze slide heeft geen instructies

Vaste volgorde 3: carrousel

Bij een carrousel draaien deelnemers in een afgesproken schema door.


De nadruk ligt op veel verschillende ontmoetingen of oefenvormen in korte rondes.

Benadruk dat de term carrousel vaak gebruikt wordt als deelnemers steeds nieuwe koppels of situaties krijgen.

Vaste volgorde 4: ladder met volgorde

Een ladder met vaste volgorde laat deelnemers in een afgesproken reeks tegen elkaar spelen.


Iedere ronde is vooraf bepaald wie waar speelt.

Dat geeft duidelijkheid en rust in de organisatie.

De gebruiker vroeg om vier roulatiesystemen met vaste volgorde; de precieze benamingen zijn niet meegegeven. Houd de uitleg praktisch en koppel aan vaste rotatie in planning.

Waarom een roulatiesysteem?

  • veel deelnemers zijn actief

  • er is afwisseling

  • de planning is duidelijk

  • iedereen komt aan de beurt

Deze slide heeft geen instructies

Welke vorm heeft altijd een vaste volgorde?

A

open instuif

B

roulatiesysteem

C

uitdaagsysteem

D

afvalsysteem

Toetst het hoofdkenmerk van slide 10-15.

Vormen van roulatie

In een circuit werken deelnemers vaste stations af. In een carrousel krijgen zij veel verschillende ontmoetingen of oefenvormen. Bij doorschuiven gaat iedere groep na een ronde naar de volgende plek.

circuit
carrousel
doorschuiven
instuif
poule
herkansing

Herhaalt drie benamingen van vaste volgorde zonder nieuwe context toe te voegen.

Klokopschuifsysteem

Deze slide heeft geen instructies

Levend ganzebord

Deze slide heeft geen instructies

Zweeds loopspel

Deze slide heeft geen instructies

Spinnenwebloop

Deze slide heeft geen instructies

Opdrachten klok opschuif, ganzenbord etc

Opdracht 6 blz. 19

Deze slide heeft geen instructies

Vijf wedstrijdgerichte vormen

In deze les staan vijf wedstrijdgerichte vormen centraal:

  • afvalsysteem

  • competitiesysteem

  • halve competitie

  • hele competitie

  • poulesysteem

  • uitdaagsysteem

De begrippenlijst noemt ook uitdaagsysteem, maar de leerdoelzin vraagt om vijf wedstrijdgerichte vormen. Deze slide volgt die formulering letterlijk.

Afvalsysteem

Bij een afvalsysteem gaat de winnaar door naar de volgende ronde.


De verliezer ligt eruit, of gaat nog naar een herkansingsronde.


Deze vorm werkt snel naar een winnaar toe.

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer kies je afvalsysteem?

  • weinig tijd beschikbaar

  • veel deelnemers

  • snel een winnaar nodig

  • minder wedstrijden per deelnemer

Noem als nadeel dat sommige deelnemers maar kort meedoen.

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Slide titel

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Opdrachten afvalsysteem en uitdaagsysteem

Opdrachten 9, 10, 11 blz. 34

Deze slide heeft geen instructies

Halve competitie

Een halve competitie is een vorm van het competitiesysteem.


Iedere deelnemer of elk team speelt één keer tegen alle anderen.

Maak het verschil met hele competitie heel precies: één keer tegenover twee keer.

Hele competitie

Een hele competitie is ook een competitiesysteem.


Iedere deelnemer of elk team speelt twee keer tegen alle anderen.


Dat geeft meer speelminuten, maar vraagt extra tijd.

Deze slide heeft geen instructies

Opdrachten poule, roulatie en competitie systemen

Opdrachten 7, 8, 12, 13 en 14 op blz. 33-35

Deze slide heeft geen instructies

Poulesysteem

Bij een poulesysteem worden deelnemers verdeeld in groepen van drie of meer.


Binnen de poule speelt iedereen minimaal één keer tegen alle anderen.


Daarna kan een volgende ronde volgen.


Daarna spelen de winnaars van de poules tegen elkaar of de nummers 1 en 2 van elke poule spelen kruiswedstrijden tegen elkaar. Uiteindelijk volgt de finale.


Bij internationale competities wordt dit vaak gebruikt (voetbal, hockey, volleybal).

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Bij het diagonaal systeem zijn twee punten belangrijk:


Na de eerste ronde worden de wedstrijden bepaald door diagonalen te trekken van linksboven naar rechtsonder.


De tweede ploeg staat in de eerste ronde rechtsboven, in de tweede ronde linksonder, vervolgens weer rechtsboven enzovoort.

Deze slide heeft geen instructies

Diagonaal systeem oneven

Deze slide heeft geen instructies

Na de eerste ronde schuiven alle nummers behalve nummer 1 (bij een oneven aantal de fictieve ploeg) een plaats op tegen de wijzers van de klok in.


Ploeg nummer 1 of de fictieve ploeg blijft altijd linksboven staan.

Deze slide heeft geen instructies

Deze slide heeft geen instructies

Move up, move down systeem

Deze slide heeft geen instructies

Uitdaagsysteem

Bij een uitdaagsysteem nodigt een hoger geplaatste speler of team een ander uit om te spelen.


Iedereen kan mee blijven doen.


Deze vorm is wedstrijdgericht, maar minder strak gepland dan een competitie of poule.

Hoewel het niet in de leerdoelzin met vijf vormen staat, is dit begrip wel expliciet meegegeven door de gebruiker en hoort het in de inhoud terug.

Laddersysteem

Deze slide heeft geen instructies

Waslijnsysteem

Deze slide heeft geen instructies

Pyramide systeem

Deze slide heeft geen instructies

Schoorsteen systeem

Deze slide heeft geen instructies

Vormen vergelijken

  • Afvalsysteem: snel, maar korte speeltijd

  • Competitie: eerlijk, maar tijdrovend

  • Poule: overzichtelijk in groepen

  • Uitdaagsysteem: flexibel en doorlopend

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil tussen halve en hele competitie?

A

aantal poules

B

wel of geen winnaar

C

één of twee keer

D

grote of kleine groep

Belangrijk onderscheid uit slides 19-21.

Wedstrijdvormen invullen

Bij een afvalsysteem gaat de winnaar door naar de volgende ronde. In een poulesysteem spelen deelnemers eerst in groepen. Bij een uitdaagsysteem kan iedereen mee blijven doen.

afvalsysteem
poulesysteem
uitdaagsysteem
instuif
circuit
carrousel

Bekijkt drie gemakkelijk te verwarren wedstrijdvormen naast elkaar.

Een juiste keuze maken

Een goede organisatievorm past bij:

  • het doel van de activiteit

  • het aantal deelnemers

  • de beschikbare tijd

  • de beschikbare ruimte

  • het gewenste niveau van competitie

Deze slide heeft geen instructies

Kiezen in de praktijk

  • Wil je vooral plezier? Kies eerder een instuif.

  • Wil je snel een winnaar? Kies een afvalsysteem.

  • Wil je eerlijke vergelijking? Kies een competitiesysteem.

  • Wil je kleinere groepen? Kies een poulesysteem.

Deze slide heeft geen instructies

Van situatie naar vorm

Doel van activiteit → keuze voor organisatievorm


Veel vrijheid → open instuif

Weinig tijd → afvalsysteem

Veel onderlinge duels → halve of hele competitie

Afwisseling in rondes → roulatiesysteem

Deze slide verbindt de hele les aan de centrale keuzevraag: welke vorm past het best?

Waar let je op bij je keuze voor een vorm?

Goede antwoorden noemen minimaal twee factoren uit slides 25-27, zoals doel, tijd, ruimte, aantal deelnemers of gewenst competitieniveau, en koppelen die aan een passende vorm.

Je wilt snel een winnaar. Welke vorm past het best?

A

instuif

B

afvalsysteem

C

hele competitie

D

circuit

Toepassing van de keuzehulp uit slides 25-27.

Wat heb je vandaag het best geleerd?

Reflectie zonder goed of fout. Laat leerlingen kort benoemen welke vorm of welk verschil ze nu beter begrijpen.

Wat hielp jou het meest in deze les?

Reflectie op leerproces. Mogelijke antwoorden: voorbeelden, schema's, vergelijken, oefenen met vragen.

Wat vond je nog lastig aan dit onderwerp?

Gebruik dit als afsluiting om te zien wat nog herhaald moet worden, bijvoorbeeld poule, competitie of roulatie.

Begrippenlijst

Afvalsysteem - Organisatievorm waarbij winnaars doorgaan en verliezers uitgeschakeld zijn of nog een herkansingsronde spelen.

Competitiesysteem - Organisatievorm waarbij drie of meer deelnemers of teams allemaal tegen elkaar spelen.

Halve competitie - Vorm waarbij deelnemers of teams allemaal één keer tegen elkaar spelen.

Hele competitie - Vorm waarbij deelnemers of teams allemaal twee keer tegen elkaar spelen.

Niet-wedstrijdgerichte vormen - Organisatievormen waarbij plezier belangrijker is dan winnen of verliezen.

Open instuif - Organisatievorm zonder vaste volgorde waarbij deelnemers vrij in en uit kunnen lopen.

Poulesysteem - Organisatievorm met groepen van drie of meer waarin iedereen minimaal één keer tegen alle anderen speelt.

Deze slide heeft geen instructies

Begrippenlijst

Roulatiesysteem - Organisatievorm waarbij deelnemers elke ronde tegen een andere deelnemer spelen of een andere vorm uitvoeren.

Uitdaagsysteem - Organisatievorm waarbij een hoger geplaatste speler of team een ander uitnodigt om te spelen.

Wedstrijdgerichte vormen - Organisatievormen waarbij winnen of verliezen centraal staat.

Deze slide heeft geen instructies