3h1 verder met taalboekje zinsontleding

Vandaag...

  • opdrachten werkwoordspelling nakijken
  • herhalingsopdracht samenstellingen
  • verder met grammatica zinsdelen
    - bijvoeglijke bepaling
    - zelfstandig of naamwoordelijk gezegde?
    - voorzetsel voorwerp
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 22 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Vandaag...

  • opdrachten werkwoordspelling nakijken
  • herhalingsopdracht samenstellingen
  • verder met grammatica zinsdelen
    - bijvoeglijke bepaling
    - zelfstandig of naamwoordelijk gezegde?
    - voorzetsel voorwerp

Slide 1 - Tekstslide

Taaltoets einde van het jaar
  1. Werkwoordspelling
  2. Spelling: meervoud van zelfstandig naamwoorden
    Spelling: samenstellingen
  3. Grammatica zinsdelen en bijzinnen benoemen
  4. Grammatica woordsoorten
  5. Formuleren: samentrekkingen
    Formuleren: incongruentie

Slide 2 - Tekstslide

Taaltoets einde van het jaar
  1. Werkwoordspelling
  2. Spelling: meervoud van zelfstandig naamwoorden
    Spelling: samenstellingen
  3. Grammatica zinsdelen en bijzinnen benoemen
  4. Grammatica woordsoorten
  5. Formuleren: samentrekkingen
    Formuleren: incongruentie

Slide 3 - Tekstslide

Werkwoordspelling A, blz. 4
  • 1. red
  • 2. vermelde
  • 3. richten
  • 4. houdt, juichend
  • 5. vergrootte
  • 6. Wordt, vernieuwd
  • 7. Bevrijdt/bevrijdde
  • 8. Zoeken

Slide 4 - Tekstslide

Werkwoordspelling B, blz. 4
  • 1. vlogt
  • 2. vlogden
  • 3. gevlogd
  • 4. carpoolde
  • 5. copywritet
  • dartte
  • 6. gedisplayd
  • 7. aquarobict
  • 8. dunkte

Slide 5 - Tekstslide

Werkwoordspelling B, blz. 4
  • 1. raad
  • 2. bevrijdt
  • 3. kleed
  • 4. brandt
  • 5. Rijd
  • 6. spoedt, verbindt
  • 7. Verraad, wordt
  • 8. aanvaardt, vertrouwen
  • 9. Vermoed, uitbreidt


Slide 6 - Tekstslide

Wel of geen tussen-n?
1 maan + schijn
2 gedachte + sprong
3 spin + wiel
4 steek + blind
5 groente + soep
6 leraar + tekort

  1. maneschijn
  2. gedachtesprong
  3. spinnewiel
  4. stekeblind
  5. groentesoep
  6. lerarentekort

Slide 7 - Tekstslide

Wel of geen tussen-s?
1 bakker + school
2 advent + kalender
3 schiet + stoel
  1. bakkersschool
  2. adventskalender
  3. schietstoel

Slide 8 - Tekstslide

Grammatica zinsdelen blz. 15
persoonsvorm, onderwerp, werkwoordelijk gezegde, naamwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp, bijwoordelijke bepaling, bijvoeglijke bepaling.


samengestelde zinnen: hoofd- en bijzinnen aangeven, zowel de hoofd- als bijzinnen compleet ontleden, soorten bijzinnen benoemen

Slide 9 - Tekstslide

Grammatica zinsdelen
Bij grammatica bekijk je taal als een systeem van taalregels.
Hoe kan je een goede zin maken en een zin goed begrijpen?
Dit kan op twee niveaus:
  1. woordsoorten
  2. zinsdelen

Slide 10 - Tekstslide

1. Zoek de persoonsvorm (pv). Zet de zin in een andere tijd; het ww dat verandert, is de pv.
of: Maak van de zin een vraag; het ww dat vooraan komt te staan, is de pv.
2. Doe de zinsdeelproef.
Kijk welke woorden je samen voor de pv kunt zetten; deze vormen samen een zinsdeel.
Zet streepjes tussen de zinsdelen.
3. Zoek het onderwerp (ow). Vraag: wie/wat + pv?; het antwoord is het ow.
of: Verander de pv van getal (enkelvoud/ meervoud); het ow verandert dan mee.
4. Benoem het werkwoordelijk gezegde (wg). Zoek alle ww in de zin die met de pv een logisch geheel vormen.
5. Zoek het lijdend voorwerp (lv). Vraag: wat/wie + wg + ow?; het antwoord is het lv.
6. Zoek het meewerkend voorwerp (mv).
Vraag: aan/voor wie + wg + ow + lv?; het antwoord is het mv.
Let op: alleen als je aan/voor kunt weglaten of toevoegen, is het zinsdeel een mv.
7. Zoek de bijwoordelijke bepaling(en) (bwb). Waar?, Waarheen?, Waarom? Hoe? 

Slide 11 - Tekstslide

Even opfrissen
Benoem de zinsdelen in de oefenzin even op papier
Oefenzin:
Ik geef morgen een super koud ijsje aan de kinderen in de grote speeltuin.


persoonsvorm, onderwerp, werkwoordelijk gezegde, (naamwoordelijk gezegde), lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, (voorzetselvoorwerp), bijwoordelijke bepaling, (bijvoeglijke bepaling).

Slide 12 - Tekstslide

Even opfrissen
Bijvoeglijke bepaling
Oefenzin:
Ik geef morgen een super koud ijsje aan de kinderen in de grote speeltuin.


een super koud ijsje (lv)
in de grote speeltuin (bwb)

Als je in een zinsdeel extra info krijgt bij een zelfstandig naamwoord, is dat een bijvoeglijke bepaling (zinsdeelstukje)

Slide 13 - Tekstslide

Even opfrissen
Bijvoeglijke bepaling
Oefenzin:
Ik geef morgen een super koud ijsje aan de kinderen in de grote speeltuin.


een super koud ijsje (lv)
in de grote speeltuin (bwb)

Als je in een zinsdeel extra info krijgt bij een zelfstandig naamwoord, is dat een bijvoeglijke bepaling (zinsdeelstukje)

Slide 14 - Tekstslide

Werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?

Slide 15 - Tekstslide

Onderwerp, wwg of nwg?
En is er ook een bijvoeglijke bepaling?
Maak opdracht A en B van bladzijde 15.


Slide 16 - Tekstslide

Nakijken opdracht A blz. 15
  • 1. Ow = wij
  • Wg = zullen toesturen
  • 2. Ow = de trainer van ons team
  • Ng = was [erg teleurgesteld]
  • 3. Ow = Dat valse bericht
  • Wg = werd verstuurd
  • 4. Ow = de pest
  • Ng = is [de meest gevreesde ziekte] geweest


Slide 17 - Tekstslide

Nakijken opdracht A blz. 15
  • 5. Ow = de mens
  • Wg = is geweest
  • 6. Ow = het winkelcentrum
  • Wg = werd ontruimd
  • 7. Ow = dat meisje uit 3 havo
  • Ng = lijkt [veel ouder]


Slide 18 - Tekstslide

Nakijken opdracht B blz. 15
  • 1. Gevraagde > brochure
  • 2. Van ons team > trainer
  • Zware > nederlaag
  • 3. Valse > bericht
  • 4. Gevreesde > ziekte
  • 5. Geen bvb
  • 6. Geen bvb
  • 7. Uit 3 havo > meisje


Slide 19 - Tekstslide

Samen oefenen met voorzetselvoorwerp blz. 259
Lezen: theorie blz. 259

  • Ik sta te wachten op de trein (= voorzetselvoorwerp)
  • Ik sta te wachten op het perron (= bijwoordelijke bepaling)

Slide 20 - Tekstslide

Samen oefenen met voorzetselvoorwerp blz. 259
Lezen: theorie blz. 259

  • Ik sta te wachten op de trein
    Bijwoordelijke bepaling >>>

Slide 21 - Tekstslide

Zelf oefenen
Maak opdracht A en B van bladzijde 15 af (theorie op blz. 259-261 in je boek)

Maak opdracht C, blz. 15 > zin 1 t/m 3

persoonsvorm, onderwerp, werkwoordelijk gezegde, naamwoordelijk gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp, bijwoordelijke bepaling, bijvoeglijke bepaling.

Slide 22 - Tekstslide