5.1 Leenheren en leenmannen

5.1 Leenheren en leenmannen

1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

5.1 Leenheren en leenmannen

Slide 1 - Tekstslide

Wij starten vandaag met 5.1
Aan het eind van deze les:
  1. Weet je de betekenis van de volgende begrippen:
    feodalisme/leenstelsel, leenman en leenheer
  2. Kan je omschrijven hoe groot het Frankische Rijk was.
  3. Kan je uitleggen hoe het feodalisme/leenstelsel werkt.
  4. Kan je uitleg geven hoe het Frankische Rijk werd bestuurd.

Slide 2 - Tekstslide

Tijd van Monniken en Ridders
Jaartallen: 500 - 1000 na Christus
Vroege middeleeuwen
(eerste periode in West-Europa na de val van het West-Romeinse Rijk)

Slide 3 - Tekstslide

Tussen 500 - 1000 n.chr.
Ontstaan:
nieuwe koninkrijken in het vroegere (West-) Romeinse rijk.
Een daarvan is het Frankische Rijk
Dit rijk is genoemde naar de naam van de Germaanse stam:
De Franken

Slide 4 - Tekstslide

Het Frankrische Rijk
Je gaat een filmpje kijken over het ontstaan van het Frankische Rijk. Let bij het bekijken van het filmpje op de volgende vraag: 

Wat valt je op hoe dit rijk wordt bestuurd?

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Wat is je opgevallen over hoe het Frankische Rijk wordt bestuurd?

Slide 7 - Open vraag

Slide 8 - Tekstslide

Karel de Grote
Vorst van het Frankische Rijk

Zo'n groot rijk.... dat was moeilijk besturen!

Maar waarom eigenlijk?


Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

Waarom kon Karel de Grote niet in zijn eentje het Frankische Rijk besturen?

Slide 11 - Open vraag

De oplossing: het feodalisme/leenstelsel







Slide 12 - Tekstslide

Feodalisme (of leenstelsel)
Een leenheer deelt zijn rijk op in stukjes. Elk stukje laat hij besturen door een leenman. De leenman mag op het stukje grond (een leen) doen wat hij wil, maar hij moet wel:
  1. trouw zweren aan de koning.
  2. besturen en rechtspreken.
  3. elk jaar belasting betalen.
  4. meehelpen bij oorlogen van de leenheer.

Slide 13 - Tekstslide

Begrippen:
  1. vazallen: Krijgsman die trouw had gezworen aan de koning.
  2. leenman: Edelman die een gebied bestuurde voor zijn leenheer.
  3. Leenheer: Edelman die een deel van zijn gebied liet besturen door iemand anders.
  4. zendgraven: Iemand die namens de koning door het rijk reisde en de leenmannen controleerde.

Slide 14 - Tekstslide

Wat gebeurt er op deze afbeelding?

Slide 15 - Open vraag

Probleem met leenstelsel
Veel leenmannen deden alsof het gebied hun bezit was
Soms gingen leenmannen het gebied opnieuw uitlenen
Op deze manier kreeg je achterleenmannen
Hierdoor hadden middeleeuwse koningen weinig macht

Slide 16 - Tekstslide

Karel de Grote is in het systeem van het feodalisme de .....
A
leenheer
B
leenman

Slide 17 - Quizvraag

Waarom bestond het feodalisme?
A
Het besturen van een groot rijk ging moeilijk door slechte wegen en slechte communicatie.
B
Leenmannen wilden toch al macht hebben, dus was het feodalisme een mooie oplossing.
C
Karel de Grote was niet goed genoeg om een groot rijk in zijn eentje te besturen
D
Karel de Grote gunde anderen ook een stukje macht.

Slide 18 - Quizvraag

Wat moet een leenman doen voor de leenheer?

Slide 19 - Open vraag

Stelling: het feodalisme is zowel voor de leenheer als voor de leenman erg gunstig. Leg dit uit.

Slide 20 - Open vraag

Leg uit waarom het aanstellen van achterleenmannen de macht van de koning verzwakte.

Slide 21 - Open vraag

Einde les
Aan het eind van deze les:
  1. Weet je de betekenis van de volgende begrippen:
    feodalisme/leenstelsel, leenman en leenheer
  2. Kan je omschrijven hoe groot het Frankische Rijk was.
  3. Kan je uitleggen hoe het feodalisme/leenstelsel werkt.
  4. Kan je uitleg geven hoe het Frankrische Rijk werd bestuurd.

Slide 22 - Tekstslide