Zenuwstelsel Anatomie/Fysiologie

Het 
Zenuwstelsel                                      
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Het 
Zenuwstelsel                                      

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Zenuwstelsel = regelcentrum
Je hersenen ontvangen informatie (prikkels) van je zintuigen en verwerken deze informatie.
De informatie komt via de zenuwen bij de hersenen.

Hersenen + ruggenmerg + zenuwen noemen we het zenuwstelsel.

Slide 3 - Tekstslide

Het centrale zenuwstelsel

Slide 4 - Tekstslide

Centraal zenuwstelsel: Hersenen en ruggenmerg

Slide 5 - Tekstslide

De hersenen bestaan uit:


- grote hersenen: cerebrum

- kleine hersenen: cerebellum

- tussenhersenen:  diencephalon

- hersenstam: truncus cerebri

Slide 6 - Tekstslide

Het ruggenmerg

Slide 7 - Tekstslide

Indeling volgens de bouw
centrale zenuwstelsel
perifere zenuwstelsel
hersenen
ruggenmerg
hersenzenuwen
ruggenmergzenuwen

Slide 8 - Sleepvraag

Perifeer zenuwstelsel
- Animaal zenuwstelsel: regelt acties in het lichaam waar je bewust van bent, zoals lopen

- Autonoom zenuwstelsel: regelt acties in het lichaam waar je niet bewust van bent, zoals hartactiviteit en spijsvertering

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

Functies zenuwstelsel
- Zintuigelijke (sensorische) informatieverwerking
- Opname van informatie
- Motorische coördinatie
- Regulatie van het gedrag

Slide 11 - Tekstslide

Welke zintuigen ken je?

Slide 12 - Woordweb

Zintuigelijke informatie verwerking

Slide 13 - Tekstslide

reflexen/reflexboog

Slide 14 - Tekstslide

Reflex
Bewuste reactie

Slide 15 - Tekstslide

Indeling volgens de functie 
willekeurig zenuwstelsel
onwillekeurig zenuwstelsel
staat onder invloed van de wil
omvat de bewuste reacties
staat niet onder invloed van de wil
omvat de onbewuste reacties

Slide 16 - Sleepvraag

De taak van de grote hersenen
A
het regelen van de evenwichtscontrole
B
het regelen van de ademhaling
C
het verwerken van gevoelens

Slide 17 - Quizvraag

De taak van de kleine hersenen
A
het regelen van samenwerking van de spieren
B
het reguleren van emoties
C
het verwerken van prikkels

Slide 18 - Quizvraag

De grote hersenen
De kleine hersenen
De hersenstam

Slide 19 - Sleepvraag

Autonoom zenuwstelsel: parasympatisch en orthosympatisch deel

Slide 20 - Tekstslide

indeling op functie
animaal 
- veelal bewust

autonoom (vegetatief)
- veelal onbewust
- orthosympatisch en parasympatisch

Slide 21 - Tekstslide

CZ en perifeer
CZ = centrale zenuwstelsel
- grote hersenen
- kleine hersenen
- hersenstam
- ruggenmerg

perifeer zenuwstelsel
- alle zenuwen in het lichaam

Slide 22 - Tekstslide

 Pathologie zenuwstelsel 
Coma & Pijn 
Glasgow Coma Scale

Slide 23 - Tekstslide

Tijdens coma reageert iemand nog wel op pijnprikkels
A
ja
B
nee

Slide 24 - Quizvraag

EMV score
- Deze schaal is in 1974 ontwikkeld.
- Doel is om het bewustzijn objectief te beoordelen.
- Ook wel Glasgow Coma Scale genoemd
- Score min. 3 max. 15, bij score <8 indicatie beademing

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide


Pijn is ?
A
Objectief
B
Subjectief

Slide 27 - Quizvraag

Wat is pijn?
Pijn is wat degene die pijn heeft zegt dat het is en het treedt op telkens als hij zegt dat het optreedt.

Slide 28 - Tekstslide

Pijn is meetbaar
VAS score (Visueel Anologe Schaal)

Vooraf een pijnanamnese (bij langdurige pijn)

Slide 29 - Tekstslide

Pijn: het model van Loeser

Pijnprikkel, de nociceptie

Pijngewaarwording: het signaal van de geklemde vinger bereikt de hersenen > pijngevoel

Emotionele pijnbeleving

Pijngedrag










Slide 30 - Tekstslide

Soorten Pijn
Nociceptieve pijn: weefsel beschadiging 
Somatische pijn: weefsel schade van huid, spieren, botten
Viscerale pijn: beschadiging van orgaanweefsel
Referred pain: pijn op andere plaats gevoeld 
Neuropatische pijn: bij zenuwbeschadiging
Fantoompijn

Slide 31 - Tekstslide

Pijn tussen de schouderbladen bij een hartinfarct is een voorbeeld van?
A
viscerale pijn
B
somatische pijn
C
neuropatische pijn
D
referred pain

Slide 32 - Quizvraag

Pijn op de plaats van een wond noem je?
A
referred pain
B
fantoompijn
C
somatische pijn
D
neuropatische pijn

Slide 33 - Quizvraag

timer
1:00
Acute pijn
Chronische pijn

pijn bij bevalling
kortdurend

steeds weer terugkerend

Pijnbeleving en pijngedrag 
staan op voorgrond

1 op de 5 a 6 mensen

 duidelijke oorzaak

langer dan 3 maanden

zeurend, kloppend, stekend, brandend, 
spasmen, kramp

Slide 34 - Sleepvraag

timer
1:00
Welke pijnmedicatie ken je?

Slide 35 - Woordweb

Welke dosering paracetamol zou je adviseren bij een enkel fractuur?
A
4xdgs 1000mg
B
3xdgs 1000mg
C
2xdgs 1000 mg
D
6xdgs 1000mg

Slide 36 - Quizvraag

Behandeling nociceptieve pijn
Paracetamol
NSAID’s (diclofenac, naproxen, ibuprofen)
Tramadol (zwak werkend opioïd)
Morfine (sterk werkend opioïd: oxycodon, fentanyl)
Invasief (injecties)

Slide 37 - Tekstslide

Als paracetamol niet voldoende helpt (enkel fractuur) welke vervolgstap adviseer je dan?
A
tramadol
B
diclofenac
C
morfine
D
oxycodon

Slide 38 - Quizvraag

Welke bijwerking komt veel voor bij gebruik van NSAID's?
timer
1:00

Slide 39 - Open vraag

Welke bijwerking komt veel voor bij opiaten? (acuut)
A
misselijkheid
B
hoofdpijn

Slide 40 - Quizvraag