In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.
Lesduur is: 45 min
Onderdelen in deze les
Kapitel 7 Grammatik C
Der-Gruppe 1e en 4e naamval
Slide 1 - Tekstslide
Leerdoelen 1/2
kennen
1. Je kent de woorden die bij de Der-groep horen.
2. Je kent de woorden die bij de Ein-groep horen.
3. Je weet hoe je de vierde naamval vindt.
4. Je kent het schema voor de vierde naamval bij de Der-Gruppe en Ein-Gruppe.
Slide 2 - Tekstslide
Slide 3 - Video
Tot de ¨der-Gruppe¨ behoren:
der/die/das
dies- (dit, die, dit, deze)
solch- (zulke)
jed- (ieder/elk)
welch- (welk)
alle (alle)
Deze woordgroepen krijgen dezelfde uitgangen als de lidwoorden in de der-Gruppe.
Let op: das krijgt als uitgang geen -as maar -es!
Bijvoorbeeld:Dieses Buch ist von mir.
Slide 4 - Tekstslide
Tot de ¨ein-Gruppe¨ behoren:
ein-(een)
kein-(geen)
mein- (mijn)
dein- (jouw)
sein- (zijn)
ihr- (haar)
unser- (ons/onze)
euer- (jullie)
ihr- (hun)
Ihr- (uw)
Deze woordgroepen krijgen dezelfde uitgang als de ein-Gruppe.
bezittelijke voornaamwoorden
Slide 5 - Tekstslide
Plaats de woorden in de juiste groep:
Der-Gruppe
Ein-Gruppe
dieses
welche
eure
jeder
deine
Ihre
unser
keinen
die
alle
Slide 6 - Sleepvraag
Lijdend voorwerp = 4e naamval
Wie/wat + gezegde + onderwerp
Slide 7 - Tekstslide
Der- en Ein-Gruppe in schema
mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
1 der Mann die Frau das Kind die Kinder
4 den Mann die Frau das Kind die Kinder
1 ein Mann eine Frau ein Kind meine Kinder
4 einen Mann eine Frau ein Kind meine Kinder
Slide 8 - Tekstslide
1/5 Als een zinsdeel onderwerp van de zin is, gebruik je ...
het onderwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen:<div>wie/wat + gezegde</div><div><br></div><div>Het onderwerp is de <b>eerste</b> naamval.</div>
A
de 1e naamval
B
de 2e naamval
C
de 3e naamval
D
de 4e naamval
Slide 9 - Quizvraag
2/5 Als een zinsdeel lijdend voorwerp van de zin is, gebruik je ...
Het lijdend voorwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen:<div>wie/wat + gezegde + onderwerp</div><div><br></div><div>Het onderwerp is de <b>vierde </b>naamval.</div>
A
de 1e naamval
B
de 2e naamval
C
de 3e naamval
D
de 4e naamval
Slide 10 - Quizvraag
3/5 Vul de juiste naamvallen in: D... Mann sieht d... Kind.
Onderwerp (1e)
het onderwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen: <div>wie/wat + gezegde . Dus: Wie ziet? = De man.</div><div><br></div><div><br></div>
Lijdend voorwerp (4e)
Het lijdend voorwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen: <div>wie/wat + gezegde + onderwerp . Dus: Wie/wat ziet de man? = het kind</div><div><br></div><div><br></div>
Schema
A
Die Mann, das Kind
B
Der Mann, die Kind
C
Der Mann, das Kind
D
Die Mann, den Kind
Slide 11 - Quizvraag
4/5 Vul de juiste naamvallen in: D... Frau kauft ein... Tasche.
Onderwerp (1e)
het onderwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen: <div>wie/wat + gezegde . Dus: Wie/wat koopt? = De vrouw</div><div><br></div><div><br></div>
Lijdend voorwerp (4e)
Het lijdend voorwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen: <div>wie/wat + gezegde + onderwerp . Dus: Wie/wat koopt de vrouw? = een tas</div><div><br></div><div><br></div>
het onderwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen: <div>wie/wat + gezegde . Dus: Wie ziet? = De jongen.</div><div><br></div><div><br></div>
Lijdend voorwerp (4e)
Het lijdend voorwerp van de zin vind je door de volgende vraag te stellen: <div>wie/wat + gezegde + onderwerp . Dus: Wie/wat ziet de jongen? = de hond.</div><div><br></div><div><br></div>
Schema
A
Der Junge, den Hund
B
Das Junge, der Hund
C
Der Junge, der Hund
D
Den Junge, den Hund
Slide 13 - Quizvraag
Leerdoelen 2/2
kennen
5. Je kent de voorzetsels met de vierde naamval.
kunnen
6. Je kunt de vierde naamval in de zin vinden en toepassen.
Slide 14 - Tekstslide
Slide 15 - Video
4e naamval met voorzetsels
DOFEGUB:
durch = door
ohne = zonder
für = voor ( bestemd voor)
entlang = langs ( staat achter het woord)
gegen = tegen
um= om
bis= tot
Slide 16 - Tekstslide
Voorzetsels 4e naamval
Na de voorzetsels met de 4e naamval verandert de vorm alleen bij de mannelijke zelfstandige naamwoorden.
1e naamval mannelijk: der en ein
4e naamval mannelijk: den en einen
De uitgang in de 4e naamval mannelijk is dus ¨-EN¨
De rest blijft hetzelfde!
Slide 17 - Tekstslide
Der- en Ein-Gruppe in schema
mannelijk vrouwelijk onzijdig meervoud
1 der Mann die Frau das Kind die Kinder
4 den Mann die Frau das Kind die Kinder
1 ein Mann eine Frau ein Kind meine Kinder
4 einen Mann eine Frau ein Kind meine Kinder
Slide 18 - Tekstslide
Voorbeelden:
Wir haben alle Spiele gegen die Franzosen (mv) gewonnen.
Sie gehtdurch denGarten. (m)
Er ging ohnesein Portmonee (o) einkaufen.
Ich habe diese Cd für meine Mutter gekauft.
Slide 19 - Tekstslide
1/4 Wat is correct?
Durch welch... Tunnel (m) fahren wir jetzt?
Schema
A
welche
B
welchen
C
welches
D
welch
Slide 20 - Quizvraag
2/4 Wat is correct?
Der Mann raste gegen d... Baum (m).
Schema
A
das
B
dies
C
der
D
den
Slide 21 - Quizvraag
3/4 Wat is correct?
Er kopiert das Foto für jed... Schüler (m).
Schema
A
jeder
B
jede
C
jeden
D
jedes
Slide 22 - Quizvraag
4/4 Wat is correct?
Für dies... Mofa (o) brauche ich 500 Euro.
Schema
A
dieses
B
diese
C
diesen
D
dieser
Slide 23 - Quizvraag
Leerdoelen 1/2
kennen
1. Je kent de woorden die bij de Der-groep horen.
2. Je kent de woorden die bij de Ein-groep horen.
3. Je weet hoe je de vierde naamval vindt.
4. Je kent het schema voor de vierde naamval bij de Der-Gruppeen Ein-Gruppe.
Leerdoelen 2/2
kennen
5. Je kent de voorzetsels met de vierde naamval.
kunnen
6. Je kunt de vierde naamval in de zin vinden en toepassen.
Slide 24 - Tekstslide
Het leerdoelen-rad der wonderen
Wie krijgen de eer om een leerdoel te mogen beantwoorden?
Voor elk leerdoel (1 t/m 5) zoeken we één (1) leerling.
Succes!
Slide 25 - Tekstslide
Beantwoord het leerdoel dat je toegewezen hebt gekregen.
timer
2:00
Slide 26 - Open vraag
Stel 1 vraag over iets dat je deze les nog niet zo goed hebt begrepen.
Slide 27 - Open vraag
Hoe zou je de uitleg van vandaag willen beoordelen?
A
1
B
2
C
3
D
4
Slide 28 - Quizvraag
Nog even kort
eerste naamval = onderwerp
vierde naamval = lijdend voorwerp
voorzetsels 4e naamval
DOFEGUB
Der-Gruppe
Ein-Gruppe
der --> den
Slide 29 - Tekstslide
An die Arbeit!
Kapitel 3 Grammatik I
Deze oefeningen maak je online.
Bij vragen chat je in het chatvenster met je docente!