Week 50 present perfect & irregular verbs

irregular verbs blz 98/99
onregelmatige werkwoorden; dit zijn werkwoorden die niet de regel vormen in de verleden -en voltooide tijd. Je kunt een overzicht vinden op blz  237 t/m 239. 
Deze werkwoorden moet je stampen 

Wat is de "spellingsregel" voor de vt ?
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

irregular verbs blz 98/99
onregelmatige werkwoorden; dit zijn werkwoorden die niet de regel vormen in de verleden -en voltooide tijd. Je kunt een overzicht vinden op blz  237 t/m 239. 
Deze werkwoorden moet je stampen 

Wat is de "spellingsregel" voor de vt ?

Slide 1 - Tekstslide

Irregular verbs

to break - ……. - …...
A
breaked - broken
B
broke - broken
C
broke - broked
D
break- break

Slide 2 - Quizvraag

Irregular verbs

To make - ….. - …...
A
made - made
B
maked - makes
C
mede - made
D
made - maked

Slide 3 - Quizvraag

Grammar: Irregular verbs
Which one is correct?
choose one
A
To blaw - blew -blawn
B
To blow -blew- blown
C
To blow - blow -blown
D
To blow -blew-blawn

Slide 4 - Quizvraag

Irregular verbs

To lose - ….. - …...
A
loose- losed
B
lost - lost
C
loes - lose
D
lost - lossed

Slide 5 - Quizvraag

Irregular verbs

to fly - …... - …….
A
flied - flown
B
flewed - flown
C
flew - flewn
D
flew - flown

Slide 6 - Quizvraag

Irregular verbs

to give - …... - …….
A
gaved - given
B
given - gave
C
give - give
D
gave - given

Slide 7 - Quizvraag

Irregular verbs

To ring - ….. - …...
A
rang - rung
B
ringed - rang
C
rong - rond
D
rung - rang

Slide 8 - Quizvraag

Irregular verbs

To catch - ….. - …...
A
caught - caught
B
catched - caught
C
caught - catched
D
catched - catched

Slide 9 - Quizvraag

Irregular verbs

to go - ……. - …...
A
goed - went
B
went - gone
C
goes - goes
D
go- goes

Slide 10 - Quizvraag

Irregular verbs:
Which one is correct?
Winnen
A
to win - wan - wun
B
to win - wan - won
C
to win - won - wun
D
to win - won - won

Slide 11 - Quizvraag

Grammar: Irregular verbs
Which one is correct?
Verstoppen
A
To hide - hided - hidden
B
To hide - hid - hidden
C
To hide - hode - hoden
D
To hide - hid - hid

Slide 12 - Quizvraag

Irregular verbs

to choose - ……. - chosen
A
chose
B
chosen
C
chose
D
choose

Slide 13 - Quizvraag

Grammar: Irregular verbs
Which one is correct?
Spreken
A
To speak - spoke - spoken
B
To speak - speaked - spoken
C
To speak - spoke - speaked
D
To speak - speaked - speaked

Slide 14 - Quizvraag

Grammar: Irregular verbs
Which one is correct?
"denken"
A
To think-thought-thought
B
To think-thinked-thinked
C
To think-thaught-thaught
D
To think-thinked-thought

Slide 15 - Quizvraag

Grammar: Irregular verbs
Which one is correct?
Houden
A
To keep-keept-kept
B
To keep-kept-kept
C
To keep-kept-keept
D
To kep-kept-kept

Slide 16 - Quizvraag

Irregular verbs:
wear - wore - have ....

Slide 17 - Open vraag

Irregular verbs
become - .......... - have become

Slide 18 - Open vraag

Irregular Verbs:
wedden = .....

Slide 19 - Open vraag

Irregular verbs
steal - ......... - have stolen

Slide 20 - Open vraag

Irregular verbs:
forget - forgot - have .....

Slide 21 - Open vraag

Irregular verbs
write - wrote - have .......

Slide 22 - Open vraag

Past simple regular verbs

Past simple irregular verbs
swim
walk
drink
cook
give
have
see
catch
call
put

Slide 23 - Sleepvraag


Past Simple vs Present Perfect

Slide 24 - Tekstslide

Past simple
gebruik / vorm / ezelsbruggetje

Slide 25 - Tekstslide

past simple: bevestigen
- Gebruik:
   - verleden
> helemaal voorbij
   - je weet wanneer het gebeurde
   - het is afgesloten / afgerond

- Vorm:
    - regelmatige werkwoorden + ed
    - onregelmatige werkwoorden > 2e rijtje




Slide 26 - Tekstslide

past simple: vragen en ontkennen

- Vorm:

    - Did + hele werkwoord
      

- Vorm:
    - didn't (did not) + hele werkwoord



Vragen:
Ontkennen:

Slide 27 - Tekstslide

past simple: ezelsbruggetje

Slide 28 - Tekstslide

past simple: ezelsbruggetje
Waldy

When, Ago, Last ... , Days/Dates, Yesterday/Year

Slide 29 - Tekstslide

Present perfect
gebruik / vorm / ezelsbruggetje

Slide 30 - Tekstslide

present perfect: gebruik en vorm
- Gebruik:
   - verleden begonnen, nu nog bezig

   - verleden gebeurd, nu nog merkbaar
   - iets uit het verleden is nu nog belangrijk
- Vorm:
    - have / has (he-she-it) + voltooid deelwoord
       - regelmatige werkwoorden + ed
       - onregelmatige werkwoorden > 3e rijtje




Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

present perfect: ezelsbruggetje

Slide 33 - Tekstslide

present perfect: ezelsbruggetje
FYNE JAS

For, Yet, Never, Ever
Just, Already (Always), Since

Slide 34 - Tekstslide

Present perfect

Slide 35 - Tekstslide



past simple:
- voorbij
- je weet wanneer
- WALDY
- w.w. + ed
- 2e rijtje
- ? = did + w.w.
- - = didn't + w.w.


present perfect:
- nog bezig / merkbaar
- nu nog belangrijk
- FYNE JAS
- have/has + w.w. + ed
- have/has + 3e rijtje
- he/she/it = has
- I/you/we/they = have
past simple vs. present perfect

Slide 36 - Tekstslide

Maak present perfect:
Grandmother ....... (bake) a cake.

Slide 37 - Open vraag

Maak de present perfect:
Martha..... her homework. (finish)

Slide 38 - Open vraag

Maak de present perfect:
We .... .... to school (go)

Slide 39 - Open vraag

They (to be) home last night

Slide 40 - Open vraag

He (live) here since 1990.

Slide 41 - Open vraag

The dog (to bite) the man yesterday.

Slide 42 - Open vraag

I (just / to finish) building this car.

Slide 43 - Open vraag

He (to play) videogames since he was a child.

Slide 44 - Open vraag

She (to buy) an umbrella yesterday.

Slide 45 - Open vraag

Noteer in je agenda
opdr 27,28,29 of 30 volgende week af.

Slide 46 - Tekstslide