thema 4.4 Sterke en zwakke werkwoorden

Ik weet wat sterke en zwakke werkwoorden zijn.

1

JA!

2

Nee

1 / 25
volgende
Slide 1: Poll
newEditorSpellingBasisschoolGroep 7,8

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Ik weet wat sterke en zwakke werkwoorden zijn.

1

JA!

2

Nee

Sterke en zwakke werkwoorden

Verleden tijd: sterke en zwakke werkwoorden

STERKE

werkwoorden



hebben de KRACHT om in de verleden tijd van klank te veranderen

VOORBEELD

STERKE WERKWOORDEN



kopen : ik koop - ik kocht

lopen : ik loop - ik liep



zwakke werkwoorden

Bij zwakke werkwoorden blijft de klank 

(de klinker) in de verleden tijd hetzelfde.

bakken - bakten

koken - kookten

Is dit een sterk of zwak werkwoord? WORDEN

A

Sterk

B

Zwak

C

Weet ik niet

D


Is dit een sterk of zwak werkwoord? KOKEN

A

Sterk

B

Zwak

C

Weet ik niet

D


Is dit een sterk of zwak werkwoord? GEVEN

A

Sterk

B

Zwak

C

Weet ik niet

D


Is dit een sterk of zwak werkwoord? SPELEN

A

Sterk

B

Zwak

C

Weet ik niet

D


Is dit een sterk of zwak werkwoord? KLIMMEN

A

Sterk

B

Zwak

C

Weet ik niet

D


Is dit een sterk of zwak werkwoord? SCHIETEN

A

Sterk

B

Zwak

C

Weet ik niet

D


Is dit een sterk of zwak werkwoord? RENNEN

A

Sterk

B

Zwak

C

Weet ik niet

D


Is dit een sterk of zwak werkwoord? STRIJDEN

A

Sterk

B

Zwak

C

Weet ik niet

D


Is dit een sterk of zwak werkwoord in de verleden tijd? DANSEN

A

Zwak werkwoord

B

Sterk werkwoord

C


D


Is dit een sterk of zwak werkwoord in de verleden tijd? DRINKEN

A

Zwak werkwoord

B

Sterk werkwoord

C


D


Is dit een sterk of zwak werkwoord in de verleden tijd? RIJDEN

A

Zwak werkwoord

B

Sterk werkwoord

C


D


Is dit een sterk of zwak werkwoord in de verleden tijd? REIZEN

A

Zwak werkwoord

B

Sterk werkwoord

C


D


Is dit een sterk of zwak werkwoord in de verleden tijd? KIJKEN

A

Zwak werkwoord

B

Sterk werkwoord

C


D


Is dit een sterk of zwak werkwoord in de verleden tijd? WETEN

A

Zwak werkwoord

B

Sterk werkwoord

C


D


Is dit een sterk of zwak werkwoord in de verleden tijd? Doen

A

Zwak werkwoord

B

Sterk werkwoord

C


D


Is dit een sterk of zwak werkwoord in de verleden tijd? Zien

A

Zwak werkwoord

B

Sterk werkwoord

C


D


Is dit een sterk of zwak werkwoord in de verleden tijd? HOREN

A

Zwak werkwoord

B

Sterk werkwoord

C


D


Sterke werkwoorden

Zwakke werkwoorden

Rennen

Ruilen

Zitten

Fietsen

Drijven

Vangen

Werpen

Prijzen

Ik heb het verschil tussen sterke en zwakke werkwoorden goed begrepen.