1HV 4/2

Bonjour à tous!
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quiz en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Bonjour à tous!

Slide 1 - Tekstslide

Doelen van deze les
Aan het einde van de les: 
  • kan je de werkwoorden die eindigen op -er herkennen in een zin
  • kan je de werkwoorden die eindigen op -er vervoegen
  • kan je jouw voorkeur aangeven in het Frans

Slide 2 - Tekstslide

Qu'est-ce qu'on va faire?

  • SO Unité 3
  • On va répéter la grammaire de l'Unité 3.

Slide 3 - Tekstslide

SO Unité 3
- Volgende week maandag SO (8 februari)
- leren alle apprendres
- Open boektoets
- Het SO maak je tijdens de les (dus je hebt 40 minuten de tijd)

Slide 4 - Tekstslide

Het SO bestaat uit 2 opdrachten:
Opdracht A:
Je krijgt een beschrijving van Thimo's weekend te zien. In de beschrijving staan Thimo's activiteiten. Wat is de bedoeling?  In de opdracht staat een tabel. In de tabel noteer je de activiteiten.

Een voorbeeld: 
- Thimo heeft op zaterdagochtend gehockeyd.

Samedi is zaterdag. Ochtend is matin. Dan noteer je 
in het juiste vak : Il fait du hockey/ faire du hockey.



samedi
dimanche
matin
faire du hockey
après-midi

Slide 5 - Tekstslide

Het SO bestaat uit 2 opdrachten:
Opdracht B:
Bij opdracht B bekijk je jouw eigen lesrooster. Kies je favoriete dag uit en beschrijf die dag in minimaal 60 woorden. In de opdracht staat precies wat je moet schrijven.

Bijvoorbeeld:
Noteer welk vak je lievelingsvak is.




Slide 6 - Tekstslide

Vragen?

Slide 7 - Tekstslide

regelmatig
fermer, trouver, habiter, detester, visiter, noter, ecouter. 
adorer, aimer, jouer
travailler, chercher,
remarquer, sonner,

2. plak:
-e, -es, -e
-ons, -ez, -ent

1. haal -er eraf
ww -er

Slide 8 - Woordweb

werkwoorden op -er
  1. Nous parlons français.(parler)
  2. Tu téléphones  souvent à tes parents?(téléphoner)
  3. J'écoute bien le professeur.(écouter)
  4. Georges et Yves regardent  un match de football.(regarder)
  5. On parle japonais au Japon. (parler)
timer
2:00

Slide 9 - Tekstslide

Aimer, Adorer, Préférer, Détester
Aimer = houden van   
Adorer = dol zijn op
Préférer = liever hebben
Détester = een hekel hebben aan

Slide 10 - Tekstslide

Attention!
Na aimer, adorer, détester, préférer --> le / la / l' / les 
In het Nederlands gebruik je géén lidwoord

J'aime le chocolat - Ik hou van chocolade.
Je préfère le coca - Ik heb liever cola.
Marie déteste les devoirs - Marie heeft een hekel aan        huiswerk.

Slide 11 - Tekstslide

Bedenk 3 Franse zinnen waarbij je gebruikt maakt van de werkwoorden: aimer, adorer, détester, préférer
timer
2:00

Slide 12 - Tekstslide