Les 2- 1.1 Fictie- belangrijke begrippen

We beginnen altijd met lezen
timer
10:00
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 12 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 54 min

Onderdelen in deze les

We beginnen altijd met lezen
timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Welke begrippen gebruiken als we over fictie praten?

Slide 2 - Tekstslide

Talent
1.1 Fictie
Belangrijke begrippen

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoelen
Aan het eind van deze les...

  • Weet je wat de literaire begrippen 'chronologisch' , 'niet-chronologisch', tijdperspectief, gesloten einde en open einde, onderwerp  en thema inhouden.

  • Kun je in boeken en verhalen zien hoe deze begrippen terugkomen.
  • Weet je beter hoe er over verhalen en boeken gesproken kan worden.

Slide 4 - Tekstslide

Tijd: chronologie
  • Chronologisch: de gebeurtenissen spelen zich achtereenvolgens af in de tijd. De schrijver laat het verhaal bij een bepaald punt in de tijd beginnen en vertelt tot er een bepaald eindpunt in de tijd bereikt is.

  • Niet-chronologisch: vertelwijze waarbij de verteller wat de tijd betreft zelfstandige onderdelen van het verhaal invoegt die niet tot de chronologische opeenvolging van de gebeurtenissen gerekend kunnen worden. Soms kan dat gedaan worden door het verhaal midden in de gebeurtenissen te laten beginnen (in medias res) en pas daarna de voorgeschiedenis te onthullen.

Slide 5 - Tekstslide

Tijdsperspectief
Elk verhaal heeft een tijdperspectief:
  1. het verhaal volgt de gebeurtenissen
  2. het verhaal wordt achteraf verteld, het is een afgesloten periode

Slide 6 - Tekstslide

Einde
  • Open einde: als er open plekken blijven als de tekst afgelopen is. Een bijzondere open plek is het zgn. ‘open eind’, waarbij de afloop van een verhaal in het midden wordt gelaten, zodat de lezer die volgens zijn eigen idee of verbeelding kan invullen.

  • Gesloten einde: als alle vragen beantwoord zijn en er geen open plekken meer zijn aan het einde van de tekst. 

Slide 7 - Tekstslide

Onderwerp en thema
  • Onderwerp:  geeft kort, in één woord of in enkele woorden aan waar de tekst over gaat.

  • Thema: de centrale gedachte in verhaal, kort samengevat in één zin/vraag. Dit wordt duidelijk door het geheel van personages, ruimten en situatie. Waarover wil de auteur je laten nadenken/welke boodschap is er?

Slide 8 - Tekstslide

Thema bepalen
  1. Stel het onderwerp vast. Wat doet dat onderwerp/wat voor invloed heeft het onderwerp op personages en dus het verhaal?
  2. Bekijk de titel en de omslag.
  3. Lees het motto.
  4. Kijk naar herhaalde aspecten -> motieven.
  5. Let op de afloop van het verhaal.

Slide 9 - Tekstslide

Tekst 1 op blz.10
Het gaat goed met Polly, fragment uit 
De dag die nooit komt geschreven door Oliver Reps

Slide 10 - Tekstslide

Aan de slag
Maak in je schrift:
opdracht 4, 5, 6 en 7 abc

Terwijl je aan het werk bent, word je bij je docent geroepen zodat je je boektitel kunt doorgeven.
We bespreken opdracht 4, 5 en 6.

Slide 11 - Tekstslide

Voor in je agenda:
Huiswerk voor de volgende les: 
1.1 Fictie, opdracht 7 en 8 maken

Slide 12 - Tekstslide