Révision Grammaire Chapitre 3 Havo3

Bonjour la classe!
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2,3

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Bonjour la classe!

Slide 1 - Tekstslide

Qu'est-ce qu'on va faire aujourd'hui?
Révision chapitre 3: (grammaire)

- comment poser une question?
- le futur simple
le verbe connaître aux 4 temps


Slide 2 - Tekstslide

Pourquoi?
Quelques raisons:

- le droit à refaire le contrôle (toets herkansen)
- la grammaire se répète
- pour l'année prochaine, ceux qui ont choisi le français


Slide 3 - Tekstslide

Comment?
Hoe gaan we werken? 

1. Poser une question: samen (kort)(5 minutes)
2. le futur simple: groep 1 (15 minutes)
3. le verbe connaître: groep 2 (15 minutes)

En wat heb je nodig?  laptop, pen en schrift





Slide 4 - Tekstslide

Durée: 15 minutes
LE FUTUR SIMPLE ( on travaille avec le prof)


Durée: 15 minutes (verbuga) 
LE VERBE CONNAÎTRE ( on travaille seul)

Slide 5 - Tekstslide

Comment poser une question?

Slide 6 - Tekstslide

Doel 1


  • Aan het eind van dit onderdeel weet je hoe je een vraag zonder vraagwoord of met vraagwoord op 3 manieren in het Frans kunt stellen.

Slide 7 - Tekstslide

Vraagzinnen & Vraagwoorden

In het Frans kun je op 3 verschillende manieren een vraag stellen.




Slide 8 - Tekstslide

Poser une question
"Tu es malade".
Intonatie - vraagteken

Tu es malade ?
Est-ce que / est-ce qu'(klinker of somme "h")
Est-ce que tu es malade ?
Inversie

Es-tu malade ?

Slide 9 - Tekstslide

Vraag zonder vraagwoord

Tu regardes la télé?




Slide 10 - Tekstslide

Vraag zonder vraagwoord

Tu regardes la télé?

Regardes-tu la télé?

Est-ce que tu regardes la télé?



Slide 11 - Tekstslide

Vraag zonder vraagwoord

Elle a un frère?





Slide 12 - Tekstslide

Vraag zonder vraagwoord

Elle a un frère?

A-t-elle un frère?

Est-ce qu'elle a un frère?



Slide 13 - Tekstslide

Vraag met vraagwoord


Tu habites ?


Slide 14 - Tekstslide

Vraag met vraagwoord
  • Gewone zin + vraagwoord
  • Vous allez à l'école quand?

  • Vraagwoord + est-ce que + rest van de zin
  • Quand est-ce que vous allez à l'école?

  • Vraagwoord + inversie + rest van de zin
  • Quand allez - vous à l'école?

Slide 15 - Tekstslide

Vraag met vraagwoord

Tu habites ?


Slide 16 - Tekstslide

Vraag met vraagwoord

Tu habites ?

est-ce que tu habites?

habites-tu?

Slide 17 - Tekstslide

Durée: 15 minutes
LE FUTUR SIMPLE ( on travaille avec le prof)
  • Tim
  • Evi
  • Utku
  • Jarno
  • Odin
  • Linn
  • Feline
  • Luna
  • Indi
  • Emma

Durée: 15 minutes (verbuga) 
LE VERBE CONNAÎTRE ( on travaille seul)
  • Sanne
  • Evi
  • Lotte
  • Utku
  • Lucas
  • Jarno
  • Melac
  • Linn
  • Feline
  • Gabriella
  • Yana

Slide 18 - Tekstslide

Grammaire
Le futur simple

Slide 19 - Tekstslide

doel 2

Aan het eind van dit onderdeel kun je de futur simple toepassen 

Slide 20 - Tekstslide

Wat weet jij over de futur simple?

Slide 21 - Woordweb

Le futur simple

De futur simple gebruik je in het Frans om te zeggen dat iets nog gaat gebeuren.

Exemple: Je déménagerai en France.

Ik zal verhuizen naar Frankrijk.

Je vertaalt dus de futur simple in het Nederlands door een vorm van "zullen" en een heel werkwoord.


Slide 22 - Tekstslide

Wat voor tijd is de futur simple?
A
tegenwoordige tijd
B
verleden tijd
C
voltooid verleden tijd
D
toekomende tijd

Slide 23 - Quizvraag

Hoe maak je de futur simple?
Stap 1: de stam
Bij regelmatige werkwoorden op
ER, IR en RE is het hele werkwoord de stam.

Stap 2: gevolgd door de uitgangen 
                van avoir


je
-ai
tu
-as
il/elle/on
-a
nous
-ons
vous 
-ez
ils / elles
-ont

Slide 24 - Tekstslide

Le futur simple

Let op:

Bij de werkwoorden op RE vervalt de e:

J'(zal leren)   leren = apprendre

J'apprendrai






Slide 25 - Tekstslide

Oefening

Zet het werkwoord in de futur simple.

1. Je (chanter)

2. Tu (choisir)

3. Nous (apprendre)


Slide 26 - Tekstslide

Oefening

Zet het werkwoord in de futur simple.


1. Je (chanter) chanterai

2. Tu (choisir) choisiras

3. Nous (apprendre) apprendrons


Slide 27 - Tekstslide

Le futur simple


Bij sommige werkwoorden is de stam van de futur onregelmatig.



être = ser

avoir = aur

faire = fer

aller = ir

pouvoir =  pourr

voir= verr





Slide 28 - Tekstslide

Le futur simple

Tu (faire)
Nous (avoir)
Vous (aller)
Je (être)
Elle (pouvoir)
Ils (voir)
verr
aur
ai
ons
fer
a
ser
ir
pourr
as
ez
ont

Slide 29 - Tekstslide

Le futur simple

Tu (faire)
Nous (avoir)
Vous (aller)
Je (être)
Elle (pouvoir)
Ils (voir)
stam
uitgang
fer
ai
aurr
as
ir
a
ser
ons
pourr
ez
verr
ont

Slide 30 - Tekstslide

Kies het goede antwoord
Je (faire)
A
fera
B
feras
C
ferons
D
ferai

Slide 31 - Quizvraag

Kies het goede antwoord
Vous (avoir)
A
aurai
B
auront
C
aurez
D
aurons

Slide 32 - Quizvraag

Kies het goede antwoord
Elle (aller)
A
irons
B
irez
C
ira
D
iront

Slide 33 - Quizvraag

Durée: 15 minutes (verbuga) 
LE FUTUR SIMPLE (seul)
  • Tim
  • Evi
  • Utku
  • Jarno
  • Odin
  • Linn
  • Feline
  • Luna
  • Indi
  • Emma

Durée: 15 minutes 
LE VERBE CONNAÎTRE (avec le prof)
  • Sanne
  • Evi
  • Lotte
  • Utku
  • Lucas
  • Jarno
  • Melac
  • Linn
  • Feline
  • Gabriella
  • Yana

Slide 34 - Tekstslide

Het onregelmatige werkwoord 'connaître'
Doel
Je peux conjuguer le verbe connaître aux 4 temps.
(Ik kan het werkwoord kennen vervoegen in vier verschillende tijden.)

Slide 35 - Tekstslide

Connaître 
présent 
je connais
tu connais 
il/elle/on connaît
nous connaissons
vous connaissez
ils/elles connaissent
tegenwoordige tijd
ik ken
jij kent
hij/zij/men kent
wij kennen
jullie kennen
zij kennen

Slide 36 - Tekstslide

Connaître 
passé composé
 
j'ai connu
 tu as connu
 il/elle/on a connu
 nous avons connu
 vous avez connu
 ils/elles ont connu 
voltooid tegenwoordige tijd

ik heb gekend
jij hebt gekend
hij/zij/men heeft gekend
wij hebben gekend
jullie hebben gekend
zij hebben gekend

Slide 37 - Tekstslide

Connaître 
imparfait

je connaissais
tu connaissais
il/elle/on connaissait
nous connaissions
vous connaissiez
ils/elles connaissaient
onvoltooid verleden tijd

ik kende
jij kende
hij/zij/men kende
wij kenden
jullie kenden
zij kenden

Slide 38 - Tekstslide

Connaître 
futur simple

je connaîtrai
tu connaîtras
il/elle/on connaîtra
nous connaîtrons
vous connaîtrez
ils/elles connaîtront
toekomende tijd

ik zal kennen
jij zult kennen
hij/zij/men zal kennen
wij zullen kennen
jullie zullen kennen
zij zullen kennen

Slide 39 - Tekstslide

je (présent)
A
je connait
B
je connais
C
je connaitrai
D
je connaissais

Slide 40 - Quizvraag

tu (présent)
A
connais
B
connait
C
as connu
D
connaissais

Slide 41 - Quizvraag

ils (passé composé)
A
ils connu
B
ils sont connu
C
ils connus
D
ils ont connu

Slide 42 - Quizvraag

Ik heb gekend
A
tu as connu
B
j'ai connu
C
je connu
D
je connais

Slide 43 - Quizvraag

Tu connaissais la chanson.
A
Je kent het liedje
B
Je kende het liedje

Slide 44 - Quizvraag

Ontdek de fout
A
Je connais
B
Je connaissais
C
J'ai connu
D
Je connaîtreai

Slide 45 - Quizvraag

Welke vorm hoort er niet bij?
A
tu connaissais
B
nous connaissions
C
elles connaissent
D
vous connaissiez

Slide 46 - Quizvraag

Welke vorm hoort er niet bij?
A
tu as connu
B
connaître
C
elle a connu
D
vous avez connu

Slide 47 - Quizvraag

Wat heb jij geleerd in deze les?
Formuleer het op een duidelijke manier:

 
noem het onderdeel
leg uit wat je hebt geleerd

                                                                                                          
                                                                                                                   Daarna        
timer
2:00

Slide 48 - Tekstslide