Clase 3 y 4 Periode 3 C1 Preposiciones

Aan het einde van deze les:
Leerdoelen
- ik kan aangeven waar iets of iemand is.
- ik kan een slaapkamer beschrijven.


1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Aan het einde van deze les:
Leerdoelen
- ik kan aangeven waar iets of iemand is.
- ik kan een slaapkamer beschrijven.


Slide 1 - Tekstslide

¿qué vamos hacer?

Zeggen waar iemand of iets is /zich bevindt

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Ejercicios
Ejercicio 8: Lees goed de omschrijvingen en van welke woorden uit oefening 7 zijn de omschrijvingen. Kies een accommodatie dat je het leuk vindt en geef aan welke accommodatie is in Nederland het meest populair. ( 10 min ) 

Slide 4 - Tekstslide

Preposiciones de lugar
¿Qué es una preposición? -> Wat is een preposición?
- Una preposición is een voorzetsel

¿Para que se utiliza? -> Waarvoor wordt het gebruikt?
- Om te beschrijven waar iemand of iets zich bevindt.

 

Slide 5 - Tekstslide

Estar & plaatsbepalingen
Mira el video y escribe las preposiciones de lugar en tu cuaderno con la traducción en español.

Slide 6 - Tekstslide

preposiciones de lugar

Slide 7 - Tekstslide

Preposiciones de lugar 
cerca (de)
dichtbij
lejos (de)
ver weg
debajo (de) 
onder 
encima (de) 
(boven) op
al lado de 
naast 
delante (de)
voor 
detrás (de)
achter
aquí
hier
allí
daar
a la derecha 
rechts 
a la izquierda 
links 
entre
tussen
en
in / op
enfrente (de)
tegenover

Slide 8 - Tekstslide

al lado de
debajo de
entre
detrás de
encima de
dentro de
delante de

Slide 9 - Sleepvraag

¿Qué significa: a la izquierda?
A
rechts van
B
links van
C
naast
D
onder

Slide 10 - Quizvraag

¿qué significa
a la derecha?
A
links van
B
naast
C
rechts van
D
voor

Slide 11 - Quizvraag

¿dónde está el árbol?
A
delante
B
detrás
C
al lado
D
enfrente

Slide 12 - Quizvraag

¿dónde está el árbol?
A
entre
B
enfrente
C
delante
D
detrás

Slide 13 - Quizvraag

¿dónde está el árbol?
A
delante
B
enfrente
C
entre
D
detrás

Slide 14 - Quizvraag

Wat heb je nodig? 
(Persoon/voorwerp) + estar* + (voorzetsel) + (de la/del) plek

ejemplos:
- "La puerta está al lado del banco"
- "El sofá está a la derecha de la mesa".
Yo
Él/ella/usted
Nosotros
Vosotros
Ellos/ellas/ustedes
estoy
estás
está
estamos
estáis
están
Estar Estar = zijn (tijdelijk), zich bevinden

Slide 15 - Tekstslide

1. Ventana
2. Silla
3. Mesa
4. cama
5. cuadro
6. toalla
7. espejo
8. puerta
1
2
3
4
        5
   6
      7
   8

Slide 16 - Tekstslide

Escribe 3 frases

Slide 17 - Open vraag

Slide 18 - Link

¿qué vamos hacer hoy?
Aan het einde van les kan je een stukje schrijven waarin je "las preposiciones de lugar" gebruikt

Slide 19 - Tekstslide

Ejercicio
Schrijf in duo’s 10 zinnen met behulp van de plaatsbepalingen

Bijvoorbeeld: El gato está encima de la cama.
Gebruik de woordenlijst van je boek
(pagina 111-112)
Jullie krijgen 5 minuten de tijd.
Ben je klaar? Verzin dan vragen die je zou kunnen stellen.
Bijvoorbeeld: ¿Dónde está la lámpara?





Slide 20 - Tekstslide

A trabajar
In de volgende link moet je de volgende oefeningen maken: 
1. Juego de memoria
3. Elección correcta
6. Repaso
7. Escribe (5) diferencias

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Link

escribe 5 frases

Slide 23 - Open vraag

A trabajar
C1 U5 gramática: ejercicio 1, 2 y 3 pag. 54

Slide 24 - Tekstslide