Seizoenen, maanden, weken, dagen

Seizoenen, maanden, weken, dagen 
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Seizoenen, maanden, weken, dagen 

Slide 1 - Tekstslide

Welke seizoenen ken je?

Slide 2 - Woordweb

              Lente

(voorjaar)

maart, april, mei 

Slide 3 - Tekstslide

                Zomer


juni, juli, augustus 

Slide 4 - Tekstslide

                Herfst
(najaar)

september, oktober, november 

Slide 5 - Tekstslide

               Winter


december, januari, februari 

Slide 6 - Tekstslide

Een jaar
Een jaar heeft 4 seizoenen
Een jaar heeft 12 maanden

Slide 7 - Tekstslide

Een maand heeft 4 weken.
Een week heeft 7 dagen.

Slide 8 - Tekstslide

Maanden van het jaar
januari
februari
maart
april
mei
juni
juli
augustus
september
oktober
november
december

Slide 9 - Tekstslide

Dagen van de week

Slide 10 - Tekstslide

Seizoenen
De winter: het is koud.
De lente: het wordt warm.
De zomer: het is warm.
De herfst: het regent.

Slide 11 - Tekstslide

Lente
De lente begint hier in maart.

 In maart en april wordt het steeds warmer.
 In mei merk je dat duidelijk.

Slide 12 - Tekstslide

Zomer

 In juni, juli en augustus is het zomer.


Bij ons zijn juli en augustus de maanden voor vakantie.
Dan zijn alle scholen dicht.

Slide 13 - Tekstslide

Herfst
Het is herfst in september, oktober en november.

Dan regent het vaak. Er is meer wind en minder zon. Het             wordt minder warm.

Slide 14 - Tekstslide

Winter
Het wordt steeds kouder in januari en februari.

Er is een aantal feestdagen in de winter.


Slide 15 - Tekstslide

De bladeren vallen in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 16 - Quizvraag

Een ander woord voor voorjaar is .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 17 - Quizvraag

Een ander woord voor najaar is .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 18 - Quizvraag

Wij schaatsen in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 19 - Quizvraag

Er zijn veel bloemen in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 20 - Quizvraag

Wij maken een sneeuwpop in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 21 - Quizvraag

Er zijn veel wespen in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 22 - Quizvraag

De auto glijdt door de gladde weg in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 23 - Quizvraag

Bomen krijgen bladeren in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 24 - Quizvraag

De zon is warm in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 25 - Quizvraag

Augustus is in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 26 - Quizvraag

Januari is in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 27 - Quizvraag

Mei is in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 28 - Quizvraag

Oktober is in de .............
A
winter
B
lente
C
zomer
D
herfst

Slide 29 - Quizvraag

Kies de goede maand.

Sleep het goede antwoord naar het grote vak.

Slide 30 - Tekstslide

januari, februari, ....... .
april
maart
mei

Slide 31 - Sleepvraag

april, mei,  ....... .
juni
juli
januari

Slide 32 - Sleepvraag

juli, augustus,  ....... .
april
november
september

Slide 33 - Sleepvraag

oktober, november, ....... .
februari
december
september

Slide 34 - Sleepvraag

april, ..............., juni.
........................., februari, maart
april
mei
september
januari

Slide 35 - Sleepvraag

.................., november, december.
juli, augustus, ....................... .
maart
oktober
september
februari

Slide 36 - Sleepvraag

Welke maand is het nu?

Slide 37 - Woordweb

Wat was de vorige maand?

Slide 38 - Woordweb

Wat is de volgende maand?

Slide 39 - Woordweb

Hoeveel maanden
zitten er in een jaar?

Slide 40 - Woordweb

In welke maand ben jij jarig?

Slide 41 - Woordweb