2 HV les 14/04 hoofd- en bijzinnen

Lezen
timer
10:00
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Lezen
timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Enkelvoudig of samengesteld?
  1. Wilma ging naar huis, omdat ze moe was
  2. De winkel op de hoek van de Brinkstraat is gisteren geopend
  3. Wil je die tas met boeken op tafel neerzetten?
  4. Het meisje verwachtte dat ze tijdens de les een gele kaart kreeg
  5. Mijn vriend is erg boos geworden toen ik weer te laat kwam

Slide 2 - Tekstslide

Hoofd- en bijzinnen

Zo herken je hoofdzinnen en bijzinnen: 
  • Als er tussen persoonsvorm en onderwerp een woord (bijvoorbeeld 'niet') kán staan, dan is dat een bijzin. 
  • In een bijzin staat de persoonsvorm vaak achteraan.
  • Kan dit niet, dan is het een hoofdzin. 

Slide 3 - Tekstslide

Hoofd- en bijzinnen
Voorbeeld: 
  • In de vakantie gaan wij altijd naar Spanje, want daar woont mijn tante. 
  • In de vakantie gaan (niet) wij altijd naar Spanje, want daar woont (niet) mijn tante.


Het kan bij beide zinnen niet. Er zijn in deze zin dus twee hoofdzinnen. OW en PV staan naast elkaar

Slide 4 - Tekstslide

Hoofd- en bijzinnen
In de vorige zin stonden dus twee hoofdzinnen. Er zit dus niet altijd een bijzin in een samengestelde zin. 
In de volgende zin staat een hoofdzin en een bijzin: 


Omdat mijn tante in Spanje woont, gaan wij daar ieder jaar naartoe. 

Slide 5 - Tekstslide

Hoe zat het ook alweer?
HWW: 2 ww in de zin --> PV is altijd hww
ZWW: duidelijk ww met vaste betekenis, staat vaak achterin de zin
KWW: BoB HaD ZoVeeL WaS

aanw.vnw: dit, dat, deze, die, zulke
vr.vnw: waarom, wanneer, waar, hoe
pers.vnw: hij, zij, wij, jou, zij, hun
bez.bnw: mijn, jouw, zijn, haar

Bijwoord --> 

Slide 6 - Tekstslide

Bijwoord
Een bijwoord is een woord dat meer informatie geeft over een ander woord in de zin, of over de hele zin:  ‘Zij is heel aardig’ een bijwoord

bijwoorden van graad: heel, zeer, nogal, enigszins, hartstikke
bijwoorden van plaats/richting: waarheen, hier, elders, ginds, opzij
bijwoorden van tijd: wanneer, morgen, vandaag, gisteren, binnenkort, onlangs
aanwijzende bijwoorden: daar, hier, nu
onbepaalde bijwoorden: ergens, nergens, nooit, altijd
vragende bijwoorden: waar, wanneer, hoe

Slide 7 - Tekstslide

Na deze les
- Kun je hoofdletters, leestekens en aanhalingstekens correct gebruiken

Slide 8 - Tekstslide

H5 & 6 Spelling
Hoofdletters
Aanhalingstekens
Samenstellingen

Slide 9 - Tekstslide

Hoofdletters (bijzondere gevallen)
  • NIET als zin begint met 's (bv 's Morgens) of een getal: 1952 is het jaar van de watersnoodramp. 
  • NIET bij samenstellingen van religieuze feestdagen (kerstkaart).
  • WEL bij de feestdag, want dat is een eigennaam (Kerstmis).
  • WEL bij bijvoeglijke naamwoorden die van aardrijkskundige naam zijn afgeleid (Zeeuwse bolussen, Noord-Hollandse kaas) .
  • NIET bij de namen van de windstreken (noordwesten, noorden).
  • NIET als de naam of voorletter voor het tussenvoegsel staat (meneer S. van der Vaart - meneer Van der Vaart). 

Slide 10 - Tekstslide

Geef aan waarom je wel of geen hoofdletter schrijft aan het begin van deze zin:
's-Gravenhage is de mooiste stad van Nederland.

Slide 11 - Open vraag

WEL hoofdletter
GEEN hoofdletter
hemelvaartvakantie
ijslandse geisers
moederdag
zuidwesten
op (meneer op het hof)
van 
(mevrouw J. de boer - van den berg)

Slide 12 - Sleepvraag

Directe rede: iemand citeren
Jan zei: 'Ik vind spellingsregels saai.'
'Ik ga vanavond naar de winkel', zei mijn moeder. 
'Als je je kamer opruimt', zei mijn moeder, 'mag je eerder naar je vrienden.'

Altijd aanhalingstekens gebruiken.
Aanhalingstekens horen NA het leesteken (dus ook NA ? of !)
Indirecte rede: vertellen wat iemand heeft gezegd
Jan zei dat hij die spellingsregels zo saai vindt. 

Gedachten vertellen
Jan dacht: ik vind spellingsregels zo saai. 

Geen aanhalingstekens gebruiken. 

Slide 13 - Tekstslide

Gaan jullie vandaag nog naar school, vroeg moeder aan mij.
A
Wel aanhalingstekens
B
Geen aanhalingstekens

Slide 14 - Quizvraag

Moeder dacht: zou Jan vandaag naar school moeten of heeft hij online les?
A
Wel aanhalingstekens
B
Geen aanhalingstekens

Slide 15 - Quizvraag