20221128 Samengestelde zinnen

Samengestelde zinnen
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Samengestelde zinnen

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Wat valt er op aan deze zinnen?
Leest deze tekst vlot?

Slide 3 - Woordweb

Lesdoelen
Wat gaan we vandaag leren?
  • enkelvoudige en samengestelde zinnen onderscheiden.
  • voegwoorden herkennen en gebruiken
  • verschil tussen nevenschikking en onderschikking 
  • Ik kan de persoonsvorm en onderwerpen in samengestelde zinnen vinden.

Slide 4 - Tekstslide

6

Slide 5 - Video

00:26
Een zin met 1 PV is een... ?
A
enkelvoudige zin
B
samengestelde zin

Slide 6 - Quizvraag

00:31
Vul in: een zin met meer dan één PV is een ... ?

Slide 7 - Open vraag

01:37

De tijger ziet er gevaarlijk uit, maar toch ben ik niet bang!
Hoeveel ja/nee- vragen kan ik hier stellen? 
A
1
B
2
C
3

Slide 8 - Quizvraag

02:05
Na een flinke wandeling nemen we even een korte pauze.
A
Enkelvoudige zin
B
Samengestelde zin

Slide 9 - Quizvraag

02:30
Wat is het voegwoord in deze zin?
Ik eet vlug mijn koek op, want ik wil graag alle dieren zijn.

Slide 10 - Open vraag

02:56
Hoeveel PV's vind je terug in de volgende zin?
Een rode panda is mijn lievelingsdier, omdat het er zo schattig uitziet en op een beertje lijkt.
1 PV
2 PV's
3 PV's
4 PV's

Slide 11 - Poll

Samengestelde zinnen
Wat is het verschil tussen 1 en 2?

  1. Wortelnotentaart vind ik de lekkerste taart. Chocoladetaart is totaal geen favoriet van mij.
  2. Wortelnotentaart vind ik de lekkerste taart en chocoladetaart is totaal geen favoriet van mij. 


Slide 12 - Tekstslide

SAMENGESTELDE ZINNEN

Met een voegwoord, zoals en, maar, omdat  of want, kun je van twee korte zinnen een samengestelde zin maken:


VOORBEELD:

Kim leest een boek.      Rick leest een stripverhaal.


Kim leest een boek, maar Rick leest een stripverhaal.



Slide 13 - Tekstslide

SAMENGESTELDE ZINNEN

Wanneer je van twee korte enkelvoudige zinnen één lang zin maakt,

dan noem je die zin een samengestelde zin.


VOORBEELD:

Ik loop naar de bakker.       Ik koop een brood.


Ik loop naar de bakker en ik koop een brood.



Het woordje 'en' verbind hier de twee zinnen aan elkaar.

Slide 14 - Tekstslide

Samengestelde zinnen
Samengestelde zinnen zijn twee zinnen die aan elkaar worden gevoegd --> één zin.

Lijm: voegwoord (en, maar, waarom, dus, terwijl, etc......)

Voor het voegwoord staat altijd een komma, behalve bij het voegwoord 'en'.

Slide 15 - Tekstslide

SAMENGESTELDE ZINNEN

In een samengestelde zin kunnen naast de persoonsvormen nog meer werkwoorden staan.


VOORBEELD:

De fietser wil graag doorrijden, maar de weg is geblokkeerd.

                                                   



pv
pv
geen pv
geen pv

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Nevenschikking en onderschikking

Slide 18 - Tekstslide

Maak van de twee zinnen één lange zin door ze te verbinden met het verbindingswoord 'en'.
- Kevin heeft een boek geleend.
- Hij leest daar dagelijks in.

Slide 19 - Open vraag

Maak van twee zinnen één lange zin met het voegwoord 'want':
- De leerlingen zijn te laat op school.
- De brug stond open.

Slide 20 - Open vraag

Maak van twee zinnen één lange zin met het voegwoord 'dus':
- Ik trek een dikke jas aan.
- Ik krijg het niet koud.

Slide 21 - Open vraag

Maak van twee zinnen één lange zing met het voegwoord 'en':
- Het had gestormd.
- De weg was bezaaid met takken.

Slide 22 - Open vraag

Geef aan of de volgende zinnen enkelvoudig of samengesteld zijn. Als de zin samengesteld is, geef dan aan of de zin onderschikkend of nevenschikkend is.
enkelvoudige zin
samengestelde zin
nevenschikkend
samengestelde zin
onderschikkend
Lieselot is op zoek naar een date voor Valentijn. 
Veel mensen zoeken een Valentijn via Tinder.
Tinder is een ideale manier om dit te doen, want je kunt nieuwe vriendschappen opbouwen. 
Er is minder druk om te feesten, want nu kan je gemakkelijk online contact zoeken.

Na een drukke dag zak je weg in je zetel, neem je wat chips en open je de Tinder app. 
Je kan naar links en rechts swipen. 

Lieselot gebruikt dus ook Tinder, omdat ze nieuwe mensen wil leren kennen. 

Slide 23 - Sleepvraag

Hoeveel persoonsvormen staan er in de zin:

Kevin heeft een boek geleend en hij leest daar dagelijks in.
A
Geen
B
1
C
2
D
3

Slide 24 - Quizvraag

Schrijf de twee persoonsvormen van de zin op,
onder elkaar in kleine letters.

Sem had zijn huiswerk voor Duits niet gemaakt, omdat hij het afgelopen weekend moest werken.

Slide 25 - Open vraag

Wat zijn de twee persoonsvormen?
Ik ben lid van een boekenclub en ik lees elke dag.

Slide 26 - Open vraag

Een samengestelde zin heeft minimaal twee persoonsvormen.
A
waar
B
niet waar

Slide 27 - Quizvraag

Wat zijn de twee persoonsvormen?
Doordat het gestormd had, was de weg bezaaid met takken.

Slide 28 - Open vraag

Is de woordvolgorde juist of onjuist?

Morgen kom ik wat later op school, want moet ik eerst naar de tandarts.
A
juist
B
onjuist

Slide 29 - Quizvraag

De specialisten hebben veel kennis en lossen veel misdaden op.

nevenschikking of onderschikking?
A
Nevenschikking
B
Onderschikking

Slide 30 - Quizvraag

Tim pakt limonade, omdat hij dorst heeft.
Nevenschikking of onderschikking?
A
nevenschikking
B
onderschikking

Slide 31 - Quizvraag

Onno ging werken maar hij was verkouden.

Is "maar" hier een nevenschikkend of onderschikkend voegwoord?
A
Nevenschikkend
B
Onderschikkend

Slide 32 - Quizvraag

Nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden komen voor in...
A
Enkelvoudige zinnen
B
Samengestelde zinnen

Slide 33 - Quizvraag

Stijn draagt de tas en James loopt met de hond.
nevenschikking of onderschikking
A
nevenschikking
B
onderschikking

Slide 34 - Quizvraag

Is het voegwoord nevenschikkend of onderschikkend?

Ik wil liever niet naar de kermis, want ik voel me een beetje misselijk.
A
nevenschikkend
B
onderschikkend

Slide 35 - Quizvraag

Nevenschikkend of onderschikkend?
Ik ga vanavond naar de film of ik ga sporten.
A
nevenschikkend
B
onderschikkend

Slide 36 - Quizvraag

Nevenschikkend of onderschikkend?
Ik moet nablijven, omdat ik gisteren mijn spullen was vergeten.
A
nevenschikkend
B
onderschikkend

Slide 37 - Quizvraag

Nevenschikkend of onderschikkend?
Ik kan stofzuigen, terwijl jij lekker op de bank ligt.
A
nevenschikkend
B
onderschikkend

Slide 38 - Quizvraag

Bij welke zin klopt de woordvolgorde?
A
Toen ons elftal won, wij begonnen allemaal te juichen.
B
Meneer Jansen trakteert vandaag, want is hij jarig.
C
Nadat ik me gedoucht heb, ga ik ontbijten.
D
Lynn speelt gitaar, terwijl Lisa speelt de bas.

Slide 39 - Quizvraag

Samengestelde zinnen
In de toets moet je kunnen:
  1. Het voegwoord benoemen
  2. De twee persoonsvormen benoemen
  3. Zelf een samengestelde zin kunnen maken

Hoe?
  1. Benoem het voegwoord (waarmee worden de zinnen verbonden?)
  2. Twee pv --> Verander de tijd van de zin

Slide 40 - Tekstslide

Evaluatie
Wat is een samengestelde zin?

Slide 41 - Tekstslide

Samengestelde zinnen
Zinnen met twee of meer persoonsvormen noem je samengestelde zinnen.
 Samengestelde zinnen zijn enkelvoudige zinnen die samengevoegd zijn m.b.v. een voegwoord.

Hij is gevallen en hij moet naar het ziekenhuis.



Slide 42 - Tekstslide

samengestelde zinnen herkennen

Ik kan dit goed.
Ik kan dit redelijk.
Ik vind dit lastig.
Ik heb hier hulp bij nodig.

Slide 43 - Poll

voegwoorden herkennen

Ik kan dit goed.
Ik kan dit redelijk.
Ik vind dit lastig.
Ik heb hier hulp bij nodig.

Slide 44 - Poll

samengestelde zinnen maken
Ik kan dit goed.
Ik kan dit redelijk.
Ik vind dit lastig.
Ik heb hier hulp bij nodig.

Slide 45 - Poll

meerdere pv's uit de zin halen

Ik kan dit goed.
Ik kan dit redelijk.
Ik vind dit lastig.
Ik heb hier hulp bij nodig.

Slide 46 - Poll