Modale werkwoorden VT

Modale werkwoorden in de verleden tijd

1 / 19
volgende
Slide 1: Slide
newEditorDuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3,4

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Modale werkwoorden in de verleden tijd

Wiederholung

Onthoud de eerste letters van het rijtje werkwoorden
dürfen - können - mögen - müssen - sollen - wollen - wissen

En maak hiermee een voor jou makkelijk te onthouden zin,
bijvoorbeeld:
de klas moet maar snel weg wezen
En verlink deze letters in je hoofd met de Modalverben ....

Zoek de vertaling!



Niets is wat het lijkt!!!

kunnen

moeten (advies)

mogen

moeten (dringend)

werden

willen

lusten, houden van

weten

können

mögen

dürfen

zullen

wissen

müssen

sollen

wollen

Leerdoelen

Na deze les kun je...

... de modale werkwoorden in de verleden tijd vertalen

... de modale werkwoorden in de verleden tijd vervoegen 


De rij die je al weet (TT): 

dürfen --> mogen
können --> kunnen

mögen --> lusten, graag willen

müssen --> moeten

sollen --> moeten, zullen

wissen --> weten

wollen --> willen

Je weet wat het verschil is 

müssen en sollen


  • müssen (= moeten als noodzaak, wetgeving)

  • sollen  (= moeten als wens van een ander, bevel)

Hoe maak je de verleden tijd? 

Verleden tijd van de modale werkwoorden:

De vormen van de modale werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd lijken sterk op de zwakke (=regelmatige) werkwoorden. 


Je moet er een paar stappen ondernemen om de goede vorm te vinden:



Stappenplan modale werkwoorden (verleden tijd)

  1. Je zoekt telkens eerst de stam (hele werkwoord -en).

2. Dan voeg je aan het einde van de stam -te voor de verleden tijd toe.

3. Hieraan voeg je (daar waar nodig) de uitgang toe.

  1. Ich en er/sie/es krijgen na -te geen uitgang meer en zijn hetzelfde.



LET OP: In de verleden tijd van modale werkwoorden krijg je NOOIT een Umlaut!!!






Ww: 

ich

du

er/sie/es

wir

ihr

Sie/sie

dürfen

durfte

durftest durfte

durften

durftet

durften

können

konnte

konntest

konnte

konnten konntet konnten

müssen

musste musstest

musste

mussten musstet mussten

wissen wusste
wusstest wusste wussten wusstet wussten

wollen

wollte

wolltest

wollte

wollten

wolltet

wollten

Hebben müssen en können in de verleden tijd ook een Umlaut?

20

second

A

ja

B

nee

C

alleen bij enkelvoud

D

alleen bij meervoud

Gestern ……….. wir leider nicht (können)

20

second

A

können

B

konntet

C

könnten

D

konnten

Meine Eltern .... mit dem Bus fahren!

20

second

A

müssen

B

mussen

C

mussten

D

musste

...... du die Antworten?

20

second

A

Wusstest

B

Wusste

C

Wüsstest

D

Weisst

Warum .............. du gestern nicht mitkommen (wollen)

20

second

A

willst

B

wolltest

C

wollst

D

wollte

Hoe ziet de uitgang bij ich en bij er/sie/es eruit?

A

ich krijgt -te en er/sie/es krijgt -tet

B

ich en er/sie/es krijgen beide alleen maar -te

C

er/sie/es krijgt alleen een t

D

A, B en C zijn juist

Er .............. nicht in die Disko gehen (dürfen)

20

second

A

durfte

B

dürfe

C

durften

D

dürfte

Terugblik op de leerdoelen van deze les:

Na deze les kun je...

... de modale werkwoorden in de verleden tijd vertalen

... de modale werkwoorden in de verleden tijd vervoegen


CHECK: Heb je de leerdoelen behaald?

1

Ja, ik kan nu de modale ww. in de VT vertalen en vervoegen.

2

Ik weet nu hoe ik de modale ww. in de VT moet vertalen en vervoegen, maar moet dit nog vaker oefenen.

3

Nee, ik kan de modale ww. in de VT nog niet vertalen en vervoegen en heb nog extra uitleg nodig.