cross

3 havo herhaling woordsoorten

Herhaling woordsoorten
3 havo/vwo
1 / 53
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 53 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Herhaling woordsoorten
3 havo/vwo

Slide 1 - Tekstslide

Lidwoord en zelfstandig naamwoord
Lidwoord: de, het, een

Zelfstandig naamwoord: mensen, dieren, dingen, namen en begrippen 
- Je kan er bijna altijd een lidwoord voor zetten.
- De meeste woorden hebben een enkelvoud en meervoud.
- Je kan er een verkleinwoordje van maken.

Slide 2 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord: zegt iets over een zelfstandig naamwoord.
- Dat is een rode auto.
- Dat is een snelle, rode auto.
- Mijn oma heet een gouden ketting.
- Die jas is zwart.

Slide 3 - Tekstslide

Tekst
Zelfstandig naamwoord
Bijv. naamwoord
huisarts
wit
fiets
groot
duur
jong
nieuw
oma 
interessant
klaslokaal

Slide 4 - Sleepvraag

Voorzetsel
Voorzetsels: voorzetsels kunnen een tijd, plaats of reden aangeven.


Voorzetsels tijd
Tijdens, voor, na, sinds, over.
Voorzetsels plaats
Denk aan de kooi:
in, op, naast, onder, achter, tussen, met, boven enz.
Voorzetsels reden
Vanwege, wegens, door

Slide 5 - Tekstslide

Noteer vijf voorzetsels.

Slide 6 - Open vraag

Wat zijn de voorzetsels?
Hannah maakte het met Quint uit op het feest van school.
A
het, met, van
B
met, uit, op, van
C
met, op, van
D
met, van

Slide 7 - Quizvraag

Bijwoord
Bijwoord: geeft een                     ,             ,                                of  


Kan iets zeggen over een:
  • Bijvoeglijk naamwoord: Dat is een erg zieke mevrouw.
  • Bijwoord: Hij kan heel hard rennen.
  • Werkwoord: De scooter rijdt hard.
Hier, daar, er, ergens, nergens
plaats
absoluut, zeker, misschien
zekerheid
nu, soms, straks, gisteren, morgen, vanavond, daarna
tijd
nooit, niet, geen
ontkenning

Slide 8 - Tekstslide

Hij is een bijzonder aardige jongen
Bijwoord?
A
Hij
B
bijzonder
C
aardige
D
jongen

Slide 9 - Quizvraag

De warme,natte, januari maand.
Warme is?
A
bijwoord
B
bijvoeglijk naamwoord
C
zelfstandig naamwoord
D
voorzetsel

Slide 10 - Quizvraag

De meester was heel erg boos op de kinderen.
bijwoord(en)?
A
Meester
B
erg
C
heel
D
kinderen

Slide 11 - Quizvraag

Werkwoord

Een werkwoord is:

- iets wat je kunt doen of wat kan gebeuren.

- je kunt er een ik/hij/wij-rijtje van maken  (= vervoegen).


Bijvoorbeeld:

 Over zes weken hoopt zij te bevallen van een meisje.

 De dinosaurus is al jaren uitgestorven.



Slide 12 - Tekstslide

Zelfstandig werkwoord (zww)

  • Belangrijkste werkwoord in de zin
  • Heb je maar één werkwoord? Dan is dit sowieso een zww.
  • Heb je meerdere werkwoorden?
        --> Er kan altijd maar één zww in de zin staan
        --> Dan is vaak het laatste werkwoord van de zin het zww.


Let op! Een zww kan alleen voorkomen in een werkwoordelijk gezegde





Slide 13 - Tekstslide

Hulpwerkwoord (hww)

  • Kan alleen in een zin staan met meer dan één werkwoord.
  • Je kan een hulpwerkwoord altijd uit de zin halen.
  • Kunnen meerdere hww in de zin staan.
  • Geeft nooit de handeling aan.

Slide 14 - Tekstslide

Voorbeelden hww en zww
Wij schrijven netjes in ons schrift.
In de winkel hebben ze brood gekocht.
Ik hoop nog ver te kunnen fietsen.

Slide 15 - Tekstslide

Koppelwerkwoord (kww)
  • Kan alleen voorkomen bij een naamwoordelijk gezegde
Grotendeels dezelfde eigenschappen als het zww:
  • Belangrijkste werkwoord in de zin
  • Heb je maar één werkwoord? Dan is dit sowieso een kww.
  • Heb je meerdere werkwoorden?
        --> Er kan altijd maar één kww in de zin staan.
        --> Dan is vaak het laatste werkwoord van de zin het kww.

Slide 16 - Tekstslide

Koppelwerkwoord (kww)
Er zijn 9 koppelwerkwoorden:

zijn - worden - blijven
blijken - lijken - schijnen
heten - dunken - voorkomen

Slide 17 - Tekstslide

Ineke gaat naar de stad.

gaat is een..
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord

Slide 18 - Quizvraag


Ik ben gisteren 10 geworden.

geworden is een..
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord

Slide 19 - Quizvraag

Maak een zin met een hulpwerkwoord en een zelfstandig werkwoord.

Slide 20 - Open vraag

Wat is het verschil tussen een zelfstandig en koppelwerkwoord?

Slide 21 - Open vraag

Ze BLIJFT een apart geval.
A
Koppelwerkwoord
B
Hulpwerkwoord
C
Zelfstandig werkwoord

Slide 22 - Quizvraag

Wat is GEEN koppelwerkwoord?
A
Lijken
B
Lopen
C
Dunken
D
Schijnen

Slide 23 - Quizvraag

Voornaamwoorden

Slide 24 - Tekstslide

Voornaamwoorden
wederkerig voornaamwoord
elkaar
mekaar

Slide 25 - Tekstslide

Vragend voornaamwoord (vr.vnw)
  • wie
  • wat
  • welk(e)
  • wat voor (een)

! Meestal aan het begin van een vraag !
! Soms aan het begin van een zin die gemaakt is van een vraag !
Begin van een vraag: 'Wie van jullie haalt de boeken?'

Aan het begin van een zin die gemaakt is van een vraag: 'Zij vroeg wie van jullie de boeken straks pakt.'
  • Wie en wat zijn geen vragend voornaamwoord al ze terugverwijzen naar een eerder genoemd woord.

  • Woorden als waar, waarheen, wanneer en hoe zijn geen vragende voornaamwoorden.

Slide 26 - Tekstslide

Aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw)

Wijst een mens, dier of ding aan!

  • kan voor een zn staan
  • kan alleen staan
  • deze
  • die
  • dat
  • dit
  • zulk(e)
  • zo'n
  • dergelijk(e)
  • zelf
  • hetzelfde
  • dezelfde
Die en dat zijn alleen een aanwijzend voornaamwoord als je ze kunt vervangen door dit en deze.

Woorden die een plaats of richting aangeven, zijn geen aanwijzend voornaamwoord (daar, daarheen, daarover, daarlangs).

Slide 27 - Tekstslide

Wat heb je gisteren gedaan?

Wat is een..

A
Vragend voornaamwoord
B
betrekkelijk voornaamwoord
C
onbepaald voornaamwoord
D
aanwijzend voornaamwoord

Slide 28 - Quizvraag

Kan ik jouw pen even lenen?

Jouw is een..
A
persoonlijk voornaamwoord
B
vragend voornaamwoord
C
wederkerend voornaamwoord
D
bezittelijk voornaamwoord

Slide 29 - Quizvraag

Wie heeft het schoolfeest georganiseerd?
Wie is een..
A
aanwijzend voornaamwoord
B
persoonlijk voornaamwoord
C
vragend voornaamwoord
D
betrekkelijk voornaamwoord

Slide 30 - Quizvraag

Hij is zich van geen kwaad bewust.

Zich is een..
A
persoonlijk voornaamwoord
B
vragend voornaamwoord
C
wederkerend voornaamwoord
D
bezittelijk voornaamwoord

Slide 31 - Quizvraag

Waarom won Sparta niet?

Waarom is een...
A
Vragend voornaamwoord
B
Bijwoord
C
Betrekkelijk voornaamwoord
D
Onbepaald voornaamwoord

Slide 32 - Quizvraag

Betrekkelijk voornaamwoord
De belangrijkste betrekkelijke voornaamwoorden zijn:
  • die
  • dat

Andere betrekkelijke voornaamwoorden zijn:
  • wie
  • wat
  • hetgeen
  • welk(e)

Slide 33 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord
De e-mails die ik voor Nederlands moest schrijven.
  • die verwijst naar de e-mails
De tas die ik heb teruggegeven.
  • die verwijst naar de tas
Het schrift dat ik van juf Melis heb gekregen.
  • dat verwijst naar het schrift

Hij is iemand, wie ik zoiets nooit zou toevertrouwen.
Dat is alles, wat ik wilde zeggen.

Slide 34 - Tekstslide

Onbepaald voornaamwoord
Onbepaalde voornaamwoorden zijn onder andere: iets, niets, iemand, niemand, alles, men, wat elk, ieder(een).

Een onbepaald voornaamwoord verwijst naar iets vaags. Dat kunnen personen of dingen zijn.
Voorbeelden:
  • niemand praat met Piet
  • men zegt dat altijd
  • ik heb wel iets gehoord

Let op: Wat is alleen een onbepaald voornaamwoord als je het kunt vervangen door iets.

Slide 35 - Tekstslide

Heeft niemand iets van Julia gehoord?

Niemand is een..
A
aanwijzend voornaamwoord
B
betrekkelijk voornaamwoord
C
onbepaald voornaamwoord
D
vragend voornaamwoord

Slide 36 - Quizvraag

Het meisje dat hij leuk vindt.

Dat is een..
A
Bezittelijk voornaamwoord
B
Aanwijzend voornaamwoord
C
Betrekkelijk voornaamwoord
D
Persoonlijk voornaamwoord

Slide 37 - Quizvraag

Telwoord
Er zijn verschillende soorten telwoorden.


Hoofdtelwoorden geven een hoeveelheid aan.


Rangtelwoorden geven een plaats in een rangorde aan.


Slide 38 - Tekstslide

Hoofdtelwoorden
Bepaalde hoofdtelwoorden geven een nauwkeurige hoeveelheid aan. Ook breuken horen hierbij.
  • Bijvoorbeeld: één, twee, driehonderd, miljoen, een vierde, vijf achtste.

Onbepaalde hoofdtelwoorden geven een onnauwkeurige hoeveelheid aan.
  • Bijvoorbeeld: alle, weinig, wat, veel, sommige, enkele, verscheidene.




Slide 39 - Tekstslide

Rangtelwoorden
Bepaalde rangtelwoorden geven de nauwkeurige plaats in een rangorde aan.
  • Bijvoorbeeld: eerste, tweede, honderdste, duizendste.

Onbepaalde rangtelwoorden geven de onnauwkeurige plaats in een rangorde aan.
  • Bijvoorbeeld: middelste, laatste, zoveelste, hoeveelste.

Slide 40 - Tekstslide

Welk telwoord is:

Honderdste
A
hoofdtelwoord
B
rangtelwoord

Slide 41 - Quizvraag

Het 6e lesuur zijn wij vrij.

6e is een..
A
onbepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald rangtelwoord
C
bepaald hoofdtelwoord
D
bepaald rangtelwoord

Slide 42 - Quizvraag

Zij heeft erg weinig gegeten.

weinig is een..
A
onbepaald hoofdtelwoord
B
onbepaald rangtelwoord
C
bepaald hoofdtelwoord
D
bepaald rangtelwoord

Slide 43 - Quizvraag

Voegwoord
Zinnen kunnen één of meer persoonsvormen hebben.

  • Een zin met één persoonsvorm noem je een enkelvoudige zin.
  • Een zin met meer persoonsvormen noem je een samengestelde zin.

Zinnen met meer persoonsvormen bestaan uit verschillende zinnen. Deze zinnen zijn meestal met elkaar verbonden door voegwoorden. Voegwoorden zijn woorden die woorden, woordgroepen of zinnen met elkaar verbinden.

  • Voorbeeld: Ik kan vanmiddag niet komen, want ik moet voetballen.

Er zijn twee soorten voegwoorden: nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden.


Slide 44 - Tekstslide

Nevenschikkend voegwoord

Nevenschikkende voegwoorden (nevensch. vw) verbinden gelijkwaardige delen. 

Dit zijn delen die je onafhankelijk van elkaar kunt gebruiken zonder dat je de woordvolgorde van de delen van de zin verandert. 

Nevenschikkende voegwoorden zijn:
  • en
  • want
  • maar
  • of (of kan soms ook onderschikkend gebruikt worden)

Slide 45 - Tekstslide

Nevenschikkende voegwoorden
Ik moet vanavond gitaarspelen. Mijn broer moet tennissen.
  • Ik moet vanavond gitaarspelen en mijn broer moet tennissen.

Mijn moeder wil boerenkool eten. Wij willen pizza eten.
  • Mijn moeder wil boerenkool eten, maar wij willen pizza eten.

Kees komt wat later. Hij heeft de trein gemist.
  • Kees komt wat later, want hij heeft de trein gemist.

Kom je mij vanavond ophalen? Ga je direct naar de training?
  • Kom je mij vanavond ophalen of ga je direct naar de training?

Slide 46 - Tekstslide

Onderschikkend voegwoord
Onderschikkende voegwoorden (ondersch. vw) verbinden ongelijkwaardige zinnen. 

Je kunt een van de delen niet onafhankelijk van het andere deel gebruiken zonder de woordvolgorde van de zin te veranderen. 

Er zijn veel onderschikkende voegwoorden:
  •  het woord dat en woorden waarvan de tweede lettergreep dat is, zoals doordat, nadat, omdat, totdat, voordat, zodat;
  • andere woorden, zoals aangezien, als, daarom, dan, hoewel, indien, mits, tenzij, terwijl, toen, ofschoon, zodra;

Slide 47 - Tekstslide

Onderschikkend voegwoord
Iris gaat straks naar het feest, hoewel ze niet uitgenodigd is.
  • Iris gaat straks naar het feest. Ze is niet uitgenodigd is.

Martijn kwam te laat, doordat de brug open stond.
  • Martijn kwam te laat.  De brug stond open stond.

Joost gaat niet naar school, omdat hij zich ziek voelt.
  • Joost gaat niet naar school. Hij voelt zich ziek voelt.

Ik poets mijn tanden, voordat ik naar bed ga.
  • Ik poets mijn tanden. Ik ga naar bed ga.

Slide 48 - Tekstslide

Nevenschikkend voegwoord
Onderschikkend voegwoord
Maar
Omdat
Want
Of
Terwijl
En
Daarom
Mits

Slide 49 - Sleepvraag

Betrekkelijk voornaamwoord (m.i.a.)
Je hebt geleerd dat het betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw) terugverwijst naar een woord of een woordgroepje dat er vlak voor staat. Zo’n woord of woordgroepje noem je het antecedent.

De betrekkelijke voornaamwoorden zijn die,dat,wat en wie.

De kleding die de koningin vandaag draagt, is speciaal voor haar ontworpen.
Het geld dat Seb verdient met vakkenvullen, geeft hij uit aan hippe sneakers.



Slide 50 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord (m.i.a.)
Het antecedent van het betrekkelijk voornaamwoord wat kan een overtreffende trap, iets vaags of een hele zin zijn.





Het handigste wat je kunt doen, is die docent een mailtje sturen.
Alles wat jullie bij dit proefje nodig hebben, staat al klaar.
Tijdens de sportdag was het heel slecht weer, wat erg jammer was.

Slide 51 - Tekstslide

Betrekkelijk voornaamwoord (m.i.a.)
Soms staat er geen antecedent in de zin. Je kunt de betrekkelijke voornaamwoorden wie en wat dan vervangen door degene die en dat wat.

Je noemt wie en wat dan een betrekkelijk voornaamwoord met ingesloten antecedent (betr. vnw m.i.a.).

Wie zijn toets af heeft, mag een boek gaan lezen. (wie --> degene die)
Wat ik jou heb verteld, mag je niet doorvertellen. (wat --> dat wat)



Slide 52 - Tekstslide

Voornamelijk bijwoord (3V)
Voornaamwoordelijke bijwoorden (vnw. bw) bestaan uit twee delen. 

Het eerste deel wordt meestal gevormd door een van de bijwoorden er, hier, waar of daar
Het tweede deel is een voorzetsel.
Er zijn heel veel voornaamwoordelijke bijwoorden. 
Voorbeelden zijn eruit, eraan, hierdoor, hiermee, waarnaast, waarover, daarin en daarop.

De delen van het voornaamwoordelijk bijwoord kunnen ook gescheiden in de zin voorkomen.
- Daaruit kun je niet veel afleiden.
- Daar kun je niet veel uit afleiden.
Voornaamwoordelijke bijwoorden kunnen geen betrekking hebben op personen.

Slide 53 - Tekstslide