Grammatica 3.7

   3.7 Grammatica       Welkom
Op je tafel:
Laptop/boek
schrift Nederlands



Zinsdelen... geen woordsoorten
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

   3.7 Grammatica       Welkom
Op je tafel:
Laptop/boek
schrift Nederlands



Zinsdelen... geen woordsoorten

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het einde van de lessen...

  • kun je lange zinsdelen benoemen.

Slide 2 - Tekstslide

Herhaling zinsdelen

Slide 3 - Tekstslide

Zinsdelen

Slide 4 - Woordweb

Wat zijn zinsdelen?
Zinnen zijn gemaakt van zinsdelen. Het zijn een soort puzzelstukjes.

Slide 5 - Tekstslide

Wat is de pv in de volgende zin:
Gingen wij naar de winkels lopen?
A
Gingen
B
wij
C
naar de winkels
D
lopen

Slide 6 - Quizvraag

Persoonsvorm tijdproef 
1. Zet de zin in de andere tijd (tijdproef). 
2. Het woord dat verandert is de pv.

Ik loop naar school.
Ik liep naar school.




Elke zin heeft een persoonsvorm.


Slide 7 - Tekstslide

Wat is de pv in de volgende zin:
Wie is daarheen gegaan?
A
Wie
B
is
C
daarheen
D
gegaan

Slide 8 - Quizvraag

Wat is het werkwoordelijk gezegde?

Slide 9 - Open vraag

PV is een onderdeel van van het wg.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 10 - Quizvraag

Werkwoordelijk gezegde
Werkwoordelijk gezegde (wg) = pv + alle andere ww in de zin.

VB: 
Ik heb dit boek gelezen.
pv = heb
wg = heb gelezen

Slide 11 - Tekstslide

Benoem pv en wg in de volgende zin:
Wij zijn naar school gegaan.

Slide 12 - Open vraag

Uit hoeveel zinsdelen bestaat deze zin:
Ik lees dit boek.
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 13 - Quizvraag

Zinsdelen
Een zinsdeel kan uit één of meerdere woorden bestaan. 
Een zinsdeel kan in zijn geheel voor de pv gezet worden.

|Ik | lees | dit boek.|              

Deze zin bestaat uit 3 zinsdelen. 



Slide 14 - Tekstslide

Wat is het onderwerp in de volgende zin:
Ik lees dit boek.
A
Ik
B
lees
C
dit
D
boek

Slide 15 - Quizvraag

Wat is het o in de volgende zin:
De jongens en meisjes gaan naar het feest.

Slide 16 - Open vraag

3.7 Aantekening: onderwerp 

Je kunt het onderwerp vinden door de vraag:
Wie of wat + het werkwoordelijk gezegde?
Het antwoord op deze vraag is het onderwerp.

De kinderen hebben een kaars aangestoken.
Wie hebben aangestoken?
Antwoord: De kinderen

Slide 17 - Tekstslide

Wat is het onderwerp?

De docent vindt dit een heel leuk onderwerp.

Slide 18 - Open vraag

Wanneer je pv, wg en o hebt benoemd, welk zinsdeel blijft over?

De oude man heeft het spel geleerd.
A
De oude man
B
heeft
C
het spel
D
geleerd

Slide 19 - Quizvraag

Aantekeningen 3.7: Het lijdend voorwerp 
Wie of wat + wg + onderwerp = lijdend voorwerp. 
Let op! Niet iedere zin heeft een lijdend voorwerp!
Wie of wat
+
wg
+
lijdend voorwerp
onderwerp
=

Slide 20 - Tekstslide

Wat is het lv in de volgende zin:
De boze man loopt de aardige vrouw tegemoet.

Slide 21 - Open vraag

Maken 

Opdracht 1 t/m 4

Klaar? Maak opdracht 5 en 6
Kijk goed naar de leertekst
timer
15:00

Slide 22 - Tekstslide

Lesdoelen check 

Slide 23 - Tekstslide

pv
wg
o
lv

Hij
heeft
bloemen
gekocht.

Slide 24 - Sleepvraag

3.7 Grammatica (deel 2) Welkom
Op je tafel:
Laptop/boek
schrift Nederlands



Zinsdelen... geen woordsoorten
Lezen 
Leg je huiswerk open

Slide 25 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het einde van de lessen...
  • kun je lange zinsdelen benoemen.


Slide 26 - Tekstslide

Zet de zinsdeelstrepen.

Op straat heb ik een portemonnee gevonden.

Slide 27 - Open vraag

Zinsdelen 3.7 (nieuw)
Elk benoemd zinsdeel gaat tussen zinsdeelstrepen!!

| Wij | gaan | de mooie en oude boeken | kopen. |

pv (zin in v.t.) = gaan          
wg = gaan kopen        
o (wie gaan kopen?) = Wij       
lv (wat gaan wij kopen?) = de mooie en oude boeken


o         wg                      lv                                         wg

Slide 28 - Tekstslide

Zinsdelen 
Zinsdelen, zoals het onderwerp en het lijdend voorwerp, kunnen korte stukjes zijn. Maar soms zijn die zinsdelen behoorlijk lang. Dan bestaan ze uit veel woorden.

Verander de volgorde van de woorden in de zin om erachter te komen hoe lang een zinsdeel is. Voor de pv past altijd maar één zinsdeel. Zet zinsdeelstrepen tussen de zinsdelen.

De grote beer heeft een bal naar mij geschopt. 
Een bal heeft de grote beer naar mij geschopt. V
Een heeft de grote beer bal naar mij geschopt. X
Naar mij heeft de grote beer een bal geschopt. V
Naar heeft de grote beer een bal mij geschopt. X

Slide 29 - Tekstslide

Zinsdelen
De volgende zinnen hebben allemaal drie zinsdelen. Ze lijken een beetje op elkaar.

De jongen | gooit | een bal.
o = De jongen
wg = gooit
lv = de bal

De grote jongen | gooit | een kleine bal.
o = De grote jongen
wg = gooit
lv = een kleine bal


De grote jongen met de blonde krullen en een pet op | gooit | een kleine, gele, zachte bal.
o = De grote jongen met de blonde krullen en een pet op
wg = gooit
lv = een kleine, gele, zachte bal

Slide 30 - Tekstslide

Zet zinsdeelstrepen in de volgende zin:
Het jonge meisje en de vrolijke jongen gaan met zijn tweeën op de fiets naar school

Slide 31 - Open vraag

Bespreken & maken 3.7
Bespreken: opdracht 1 t/m 4

Maken: 5, 8 en 9

Klaar? Maak opdracht 10

Slide 32 - Tekstslide

Lesdoelen check

Slide 33 - Tekstslide

Welke vraag stel je om het onderwerp (o) te vinden?

Slide 34 - Open vraag

Benoem pv en wg:
Het kat en muis spel is een hit geworden.

Slide 35 - Open vraag

Zinsdelen
Hoeveel zinsdelen heeft de zin?
'Wanneer heb ik vakantie ?
A
4 zinsdelen
B
5 zinsdelen
C
3 zinsdelen
D
6 zinsdelen

Slide 36 - Quizvraag

De leergierige jongens en meisjes willen naar school.
Hoeveel zinsdelen heeft deze zin?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 37 - Quizvraag

Slide 38 - Tekstslide

3.7 Grammatica (deel 3) Welkom
Op je tafel:
Laptop/boek
schrift Nederlands



Zinsdelen... geen woordsoorten

Slide 39 - Tekstslide

Wat is de pv?
A
De boze man
B
is
C
naar de angstige leerlingen
D
gelopen.

Slide 40 - Quizvraag

Wat is het wg in de volgende zin:

Hij is naar de winkel gaan lopen.
A
is
B
gaan lopen
C
is lopen
D
is gaan lopen

Slide 41 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?

Marina legt het onderwerp uit.
A
Marina
B
legt
C
het onderwerp
D
uit

Slide 42 - Quizvraag

Wat (of wie) + wg + ow =
A
Lijdend voorwerp (lv)
B
Werkwoordelijk gezegde (wg)
C
Onderwerp (o)
D
Persoonsvorm (pv)

Slide 43 - Quizvraag

Lijdend voorwerp

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?
Jij kan het lijdend voorwerp in die zin vinden.

A
jij
B
het lijdend voorwerp
C
in die zin
D
kan vinden

Slide 44 - Quizvraag

Zinsdelen
Hoeveel zinsdelen heeft de zin?
'Wanneer heb ik vakantie ?
A
4 zinsdelen
B
5 zinsdelen
C
3 zinsdelen
D
6 zinsdelen

Slide 45 - Quizvraag

Bespreken & maken 3.7
Bespreken: opdracht 5, 8 en 9

Maken: opdracht 10 + Test Jezelf!

Klaar? Volgende dia


Slide 46 - Tekstslide

Opdracht
Schrijf de zinnen over en benoem pv, wg, o, lv en zet zinsdeelstrepen.

1. Mijn hond is naar de hondenkapper geweest.
2. Kan jij boeken kopen?
3. De grote bomen in het bos zijn omgewaaid. 
4. Ik ga dat hele grote boeket naar mijn moeder brengen.
5. Hij blijft mijn kleding lenen. 


Slide 47 - Tekstslide