1. november 2022

Herzlich Willkommen!
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Herzlich Willkommen!

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Ontleden ja/nee?
Om te bepalen welke naamval je voor een zinsdeel moet gebruiken, kun je enkele stappen zetten:

stap 1: Zoek naar een voorzetsel in het zinsdeel. 
stap 2:  Als er geen voorzetsel is, ontleed je de zin naar onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp.

Slide 3 - Tekstslide

stap 2: Als er geen voorzetsel is, ontleed je de zin naar onderwerp, lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp

  • onderwerp: 1e naamval
  • meewerkend voorwerp: 3e naamval
  • lijdend voorwerp: 4e naamval

Slide 4 - Tekstslide

Ontleden
Onderwerp: degene die of datgene wat iets doet óf degene die of datgene wat iets is
Lijdend voorwerp: Het lijdend voorwerp is degene die of datgene wat de werking van het werkwoord direct ondergaat.  In bijvoorbeeld 'Ik koop een fiets' 'ondergaat' een fiets direct de werking van het werkwoord kopen.

Slide 5 - Tekstslide

Ontleden
Meewerkend voorwerp: Een meewerkend voorwerp is degene die iets ontvangt of verneemt of van wie iets wordt afgenomen. Het meewerkend voorwerp begint vaak met het voorzetsel aan of voor wie – als dat niet in de zin staat, kan het er meestal bij gedacht worden.

Slide 6 - Tekstslide

Ontleden (net als in het Nederlands)
1e naamval ➔ wie/wat + gezegde?
4e naamval ➔ wie/wat+gezegde+ onderwerp?
3e naamval ➔ aan wie/voor wie+gezegde+onderwerp+lijdend voorwerp?
 
Ik heb voor mijn moeder een krant gekocht  

Slide 7 - Tekstslide

Ontleden (net als in het Nederlands)
Ich habe meiner Mutter eine Zeitung gekauft

[onderwerp]   [meew. vw]      [lijdend vw]
         1e                            3e                           4e

Slide 8 - Tekstslide

Doe altijd hetzelfde!
Staat er een voorzetsel?
Ja --> kies dan meteen de juiste naamval 
nee --> ga ontleden en kies op die manier de juiste naamval

Slide 9 - Tekstslide

Het persoonlijk voornaamwoord
Het persoonlijk voornaamwoord kent in het Duits ook naamvallen

Slide 10 - Tekstslide

Welke naamval hoort bij het onderwerp?
A
1ste naamval
B
2de naamval
C
3de naamval
D
4de naamval

Slide 11 - Quizvraag

Welke naamval hoort bij het lijdend voorwerp?
A
1ste naamval
B
2de naamval
C
3de naamval
D
4de naamval

Slide 12 - Quizvraag

Welke naamval hoort bij het meewerkend voorwerp?
A
1ste naamval
B
2de naamval
C
3de naamval
D
4de naamval

Slide 13 - Quizvraag

Hoe vind je het onderwerp in een zin?
A
zin vragend maken
B
wie / wat + pv
C
wie / wat + onderwerp + gezegde
D
aan wie / voor wie

Slide 14 - Quizvraag

Hoe vind je het lijdend voorwerp in een zin?
A
zin vragend maken
B
wie / wat + pv
C
wie / wat + onderwerp + gezegde
D
aan wie / voor wie

Slide 15 - Quizvraag

Hoe vind je het meewerkend voorwerp in een zin?
A
zin vragend maken
B
wie / wat + pv
C
wie / wat + onderwerp + gezegde
D
aan wie / voor wie

Slide 16 - Quizvraag

Sleep het juiste Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het Nederlandse persoonlijk voornaamwoord
ik
jij
hij
zij e.v.
wij
jullie
het
u
zij
ich
ihr
er
es
wir
du
sie e.v
Sie
sie

Slide 17 - Sleepvraag

Sleep het Duitse persoonlijk voornaamwoord naar het Nederlandse persoonlijk voornaamwoord in de 3E nv.
mij
jou
hem
jullie
haar
ons
het
hen
u
mir
uns
ihm
ihm
ihr
dir
euch
ihnen
Ihnen

Slide 18 - Sleepvraag

Maak een keuze!

Kennst du ihn / er
A
ihn
B
er

Slide 19 - Quizvraag

Der Polizist zeigt (der Frau) den Weg.

Slide 20 - Open vraag

Der Polizist zeigt ihr den Weg.
aan haar --> meewerkend voorwerp 3e naamval

Slide 21 - Tekstslide

Angela schickt (ihrem Bruder) eine Postkarte.

Slide 22 - Open vraag

Angela schickt ihm eine Postkarte.
aan hem --> meewerkend voorwerp 3e naamval

Slide 23 - Tekstslide

(Die Mädchen) wollen nicht früh aufstehen.

Slide 24 - Open vraag

Sie wollen nicht früh aufstehen.
1e naamval onderwerp

Slide 25 - Tekstslide

Ich habe das für (meinen Vater) gekauft.

Slide 26 - Open vraag

Ich habe das für ihn gekauft.
für --> +4e naamval

Slide 27 - Tekstslide

Pierre erklärt (dem Freund) das Problem.

Slide 28 - Open vraag

Pierre erklärt ihm das Problem.
uitleggen aan hem --> meewerkend voorwerp 3e naamval

Slide 29 - Tekstslide