Kennis quiz Lezen 3.3

Lesplanning

1. Het journaal 


2. Terugblik 


3. Herhaling uitleg 


4. Kennis quiz


5. Lesafsluiting

1 / 24
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Lesplanning

1. Het journaal 


2. Terugblik 


3. Herhaling uitleg 


4. Kennis quiz


5. Lesafsluiting

Leerdoelen Lezen 3.3 

- Je kan overtuigende en informatieve teksten lezen 


- Je kan onderscheid tussen hoofd- en bijzaken maken


- Je kan relaties tussen en binnen teksten evalueren en beoordelen


-  Je kan een tekst beknopt samenvatten 

(bron: lesmethode Talent)

(bron: lesmethode Talent)

(bron: lesmethode Talent)

Aan de slag...!

Het doel van kritisch lezen is.

A

Belangrijke stof onthouden

B

Structuur onderscheiden

C

Klopt het wat ik lees?

D

Hoofdzaken/bijzaken onderscheiden

Wat is kritisch lezen?

A

Bij kritisch lezen geef je kritiek op de tekst.

B

Bij kritisch lezen, lees je alleen de bron.

C

Bij kritisch lezen wil je de hele tekst begrijpen.

D

Bij kritisch lezen bekijk je of de tekst betrouwbaar is.

Wat is een signaalwoord voor oorzaak - gevolg

A

maar

B

kortom

C

ook

D

doordat

Welk signaalwoord hoort bij: Oorzaak - Gevolg

A

neem nou

B

eerst

C

bovendien

D

daardoor

In welk antwoord lees je een oorzaak-gevolg?

A

Mijn oom kwam in een lange file terecht. Daardoor kwam hij te laat op zijn werk en miste hij een belangrijke afspraak.

B

Het lijkt me niet verstandig die cd nieuw te kopen.Je zou bijvoorbeeld eens op Marktplaats kunnen kijken, waar ontzettend veel cd’s voor heel lage prijzen worden aangeboden.

C

Evert is een ontzettend avontuurlijke vent. Zijn vriend daarentegen is een enorme huismus die er geen behoefte aan heeft bijzondere dingen te beleven.

D

Jeremy wilde niet naar de dierentuin, Jorrit wilde niet naar het bos en Anke wilde niet naar het strand. Kortom, we konden het niet eens worden over wat we gingen doen.

signaalwoorden oorzaak gevolg zijn

A

maar, echter

B

doordat, daardoor, als gevolg van

C

ten eerste, verder, ook

D


Wat is een oorzaak-gevolg-verband?

A

Er gebeurt iets waar je geen invloed op hebt.

B

Je kiest voor een bepaald gevolg.

C

Voordat je iets krijgt, moet je eerst ergens aan voldoen.

D

Je hebt iets ergs meegemaakt.

Soms geeft de docent op vrijdag huiswerk voor maandag, waardoor mijn weekend verpest wordt.

A

Oorzaak-gevolg

B

Doel-middel

C


D


Welk tekstverband herken je? Door een goede concentratie, kun je sneller je werk afmaken.

A

tijdsvolgorde

B

voorwaarde

C

doel-middel

D


Welk signaalwoord geeft een DOEL - MIDDEL aan?

A

Ten eerste

B

hierdoor

C

waarmee

D


Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'door middel van'?

A

doel-middel

B

oorzaak-gevolg

C


D


Wat wordt bedoeld met de lay-out?

A

de uitleg van de tekst

B

de afbeelding bij de tekst

C

de opmaak van de tekst

D


Wat hoort bij opmaak van de tekst?

A

lettergrootte

B

onderwerp van de tekst

C


D


Met 'beeld en opmaak' bij een tekst bedoelen we:

A

Het gebruik van plaatjes bij de tekst

B

Gebruik van verschillende letters en kleur

C

inleiding, kern en slot van een tekst

D

De verdeling van de tekst over de bladzijde

Gebruik je in het maken van een samenvatting hoofdzaken en bijzaken of alleen hoofdzaken

A

hoofdzaken en bijzaken

B

hoofdzaken

C

bijzaken

D


Hoofd- en bijzaken. Wat is een hoofdzaak eigenlijk?

A

Hoofdzaken geven de belangrijke informatie over het onderwerp van de tekst.

B

Hoofdzaken geven minder belangrijke informatie.

C

Hoofdzaken maken de tekst iets duidelijker

D

Hoofd- en bijzaken bestaan niet.

1. Hoofdzaken staan meestal alleen in het begin van een tekst. 2. Bijzaken helpen je de hoofdzaken te begrijpen.

A

Alleen uitspraak 1 is juist.

B

Beide uitspraken zijn juist.

C

Alleen uitspraak 2 is juist.

D

Beide uitspraken zijn onjuist.

Voorbereiding proefwerk:

1. Theorie leren 

2. Samenvatting maken

3. Talent Max

3.1 Test jezelf

3.2 Oefentoets maken


Tijdens de toets:

1. GOED LEZEN

2. Woordenboek